Honig uit den rotssteen - pagina 238
224 Maar, en leg daar geen minder nadruk op, uw liefde voor dat volk moet voorzichtig en teeder zijn. Niet voorzichtig in den zin, alsof ge u niet te ver met dat volk
moest inlaten. Ik staat,
voor
mij
met
al
geef aan dat volk, zooals het daar in het land krankheden en etterbuilen, heel mijn hart, zonder wil niet anders zijn dan „met 's Heeren volk één
ik zijn
voorbehoud. Ik en lotgemeen." Neen, voorzichtig is zoo bedoeld, dat ge niet onvoorzichtiglijk door uw liefde en genegenheid dat volk bederft, in stee van opleidt en sterkt.
Dat volk moet niet gevleid maar wakker geschud. Wakker geschud, door iets af te dingen op zijn belijdenis, of aan te merken op zijn vormen, of te veroordeelen in zijn eenvoud. Neen, maar door u zelf krank en gansch melaatsch, aan dat kranke en melaatsche volk van God te geven, en niet af te laten van het roepen des vermaans: !" „Broeders, broeders, onthoudt den Heere Heere zijn glorie niet niet
En
God in u! een leeuw tegen u opstaan, als het merkt dat ge, waar God tot Loammi gezegd heeft „Mijn volk!" schamper het na durft geven: „En toch zijt ge 's Heeren volk niet!" Ja, we voegen er bij, het zal u weerstaan in het aangezicht en als een „gewitte wand" u toornend terecht zetten, als ge raakt aan het „Getuigenis" of aanrandt wat in het bloed zijner martelaren eens de „Belijdenis van zijn geloof" werd. Maar anders toornt Gods lieve volk tegen zielaangrijpend vermaan Het
dat draagt het volk van zal als
volstrekt niet.
Zoo het uit een hart komt, waar dat volk van voelt: „Die man draagt ons op zijn hart," dan is dat volk zelfs op een aanzeggen aan Israël van zijn zonden gesteld dan haat dat volk eer de vleiende tong; en dorst het naar waarheid, ook al rolt die waarheid als een stroom des oordeels over de erve Gods heen. En daarom Gods volk moet aan zichzelf ontdekt. Het moet weten, dat het zoo eindeloos, eindeloos afdoolde van wat, om een eere voor God te wezen, dat volk des Heeren bloest zijn. Het moet weten, dat zijn kennisse van de verborgenheden zoo wegslonk als een uitgedroogde zomerbeek dat zijn gebed van het echte zielszuchten vaak nauwlijks den naam meer dragen mag; dat zijn afgoden weer ingeroest zijn op het voetstuk der zonde, dat in zijn hart overbleef; dat zijn milddadigheid in banden en boeien ligt gevangen, terwijl zijn gierigheid omdrentelt op de straten en het ergst van allen nog, dat door deze „zweren en etterbuilen". die gespannen staan en pijn doen, het ééne lid des lichaams het andere niet velen ;
;
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's