Practijk der godzaligheid - pagina 57
:
49
Onwaar, overmits de Heilige Schrift ons het tegendeel allerklaarst en duidelijk toont. Toont, dat het Evangelie zijn loop niet kan hebben zonder in woorden, onder den vorm eener leer gebracht te zijn. Toont, dat die leer niet maar afhangt van ieders goedvinden, maar buiten ons om vast en onwrikbaar ligt als het ingewand der bergen. Toont, dat de zonde de tegenstanders telkens aandrijft om tegen deze goddelijke leer een leer van eigen verzinning over te stellen. Toont, dat de tegenstelling tusschen deze goddelijke en die door de menschen verzonnen leer scherp moet opgevat als een tegenstelling tusschen hetgeen gezond en hetgeen krank is, hetgeen goed en slecht, hetgeen waar is en vervalscht. En toont niet minder eindelijk aan, dat op de kerke en ambtsdragers in de kerke Gods evenzeer als op de leeken wel terdege de plicht rust, om voor de prediking en verspreiding der ware leer zorg te dragen en de kranke, valsche, verzonnen leugenleer krachtdadig tegen te staan. Tusschensoorten kent de Schrift daarbij niet. Ze spreekt niet van „gezonde, half krukkende, nog even meegaande en voorts kranke leer." Haar leer is gezond of niet. Waar of vervalscht. Van Christus of van den antichrist.
En
dat het ons nu ten plicht zou gesteld zijn, om afoogluikend, met inschikkelijkheid en toegeeflijkheid, de verspreiding der valsche en de bestrijding der ware leer aan te hooren, toe te laten en oogluikend te gedoogen, wordt ons dit zelfs zoo weinig vergund, dat de heilige apostelen van onzen Heere Jezus Christus ons zelfs ten ernstigste en ten dringendste vermanen: om aan de verspreiders van de vervalschte leer „den mond te stoppen" (Tit. 1 11); om „de tegensprekers te wederleggen" (Tit. 1:9); „om in de leer onvervalschtheid, deftigheid, oprechtheid te betoonen, het woord gezond en onverwerpelijk, opdat degenen die tegenstaan beschaamd
wel
wachtend
verre
en
:
2:8); om hun „dwaze vragen te wederstaan" een „ketterschen mensch na de eerste en tweede vermaning te verwerpen" (Tit. 3 10); om „een ketterschen leeraar zelfs niet in huis te ontvangen" (2 Joh. 10); en dat alles omdat de ongezonde leer, eenmaal ingeslopen, „voorteet als een kanker"
mogen (Tit.
worden'"' (Tit.
3:9);
om
:
:
(2
Tim. 3 Heel iets :
17).
dan de onverschilligheidstheorie, die maar en maar aldoor roept, dat in den strijd der geesten het kwade vanzelf van het goede verwonnen wordt. Neen, zegt de Schrift, eer integendeel zal het als een kanker voortvreten en dan eerst hebt gij goede hope, dat het van de waarheid zal verwonnen worden, indien gij, als bedienaren des Woords, als opzichters, en als leden der kerk van Christus de gave opwekt die in u is, om de gezonde leer in betoon van kracht te verkondigen; maar ook tegelijk doet naar den last des Heeren, om de dwaalleer te weerstaan en tegen te spreken. Altoos de truffel, waarmee gij de kerke alles
toe-,
anders
dus
alles doorlaat,
;
VI
4
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's