Dat de genade particulier is - pagina 155
;
145 verhindering van zijn gebeden wordt de man geslagen, die op zoo drieste, ongoddelijke wijze zich aan de heiligheden en de sieraden van Gods huis vergrijpt. En daarom kan er nooit genoeg op gedrongen en manen ook wij er thans ons zelven en onze lezers toe, om toch „God te vreezen" ook in het belijden van zijn naam. toch nooit te vergeten dat we nietige, niets uit ons zelven verstaande menschen zijn. En alzoo indachtig onzer zonde, ons van onze kortzichtigheid bewust, en steeds gedenkende dat zoo hoog de hemelen boven de aarde zijn, zoo hoog Gods gedachten boven onze gedachten gaan, af te leggen alle eigenwijsheid en met stille eerbiedenis te luisteren naar wat God de Heere ons, naar de uitlegging des Geestes in de geschiedenis zijner Gemeente, door zijn Woord onderwijst. Ging het hier toch op ónzen dunk, op ons oordeel, op ons mensche-
Om
inzicht af, dan, het spreekt vanzelf, zouden we niet beter kunnen doen, dan voetstoots hun het pleit gewonnen te geven, die zich in deze eeuw als „moderne leeraars" hebben aangediend. Want, in trouwe, wie zou het weerspreken durven als ge vader zijt, stel, van een tiental kinderen, en die kinderen hadden u grovelijk beleedigd, bitter bedroefd, en gegriefd tot in de ziele, maar gij hadt macht om ze desniettemin aan een heerlijk levensbestaan te helpen, dat ge in aller menschen oog al een zeer onmenschelijke wreedaard en een haatdragend, wraakzuchtig mensch zoudt moeten zijn, indien ge, dat kunnende, er ook niet al uw kinderen toe verhielpt. En reeds de enkele gedachte, dat ge dan dat heerlijk levensbestaan aan den één schenken en aan den ander onthouden zoudt, zou derwijs ons menschelijk gevoel beleedigen, dat de schuld uwer kinderen jegens u nauwelijks geteld en alleen uw schuld jegens die verstootene uwer kinderen zeer breed zou worden uitgemeten. Is dat dus de toetssteen, moet naar ónze liefde de ondoorgrondelijke barmhartigheid onzes Gods afgemeten, wie, zoo vragen we, zou dan die liefde Gods niet nog veel breeder en ruimer en milder uitmeten, en niet aan Godslastering schuldig staan, door ook maar een oogenblik in den ontfermenden God een opzet te durven denken, dat elk rechtschapen hart reeds in ons gebrekkige menschen die we zijn gestrengelijk zou afkeuren en verfoeien? Eenmaal dien weg op, is er dus waarlijk niets tegen in te brengen, en moet van heeler harte toegestemd, dat alleen een zaliging aller zielen aan den drang van ons hart voldoet, aan onze menschelijke voorstelling bevrediging schenkt en rijmt met onze beste overleggingen. Dat kan het niet geduld of toegestaan, dat God de Heere, die dan toch alle dingen weet en kent en doorziet eer ze zijn, ook maar één mensch op liet groeien en niet verdeed, als Hij de Heere wist, dat zijn einde zou zijn in het eeuwig verderf. lijk
:
;
IV
10
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's