Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Heils termen - pagina 112

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Heils termen - pagina 112

3 minuten leestijd

102 sprak: „Tusschen alle onbezielde en bezielde schepping en den Eeuwige was geen gemeenschap, dan door den mensch als middelaar. Alle schepsel was den mensch onderworpen, den mensch overgegeven, en de mensch was geroepen om alle prijs en lof van het schepsel in te nemen en het met zijn eigen lofzegging als priester van geschapene te brengen voor den Heere Zebaöth. Hij alleen naderde dus zonder middelaar. Hij alleen ging in het Heilige der Heiligen. Hij alleen naderde in zelfbewuste, persoonlijke gemeenschap met zijn God." Dat leven nu die hooge beweging des geestes, die alleen den naam van leven in volle opvatting dragen mag dat leven, in den diepsten zin, die dit woord bezit, was door de zonde afgesneden. Zoo lag dan de menschheid voor Gods oog in een staat, die voor lagere schepselen wellicht gelukkig kon heeten, maar niets minder dan de dood voor den mensch was, wijl hem juist was ontvloden, wat de kern en pit en hartader van zijn menschelijk leven was, Gods Openbaring aan die gevallen menschheid is dus een daad zijner Barmhartigheid, die dan slechts doel kan treffen, zoo ze den zondaar brengt wat hem faalt, terugschenkt wat hem ontging, d. i. het leven in de persoonlijke gemeenschap met den Hoogen God. Openbaring is dus niet denkbaar, tenzij God zelf aan den gevallen mensch openbaar wordt, hem opzoekt in zijn verlatenheid, tot hem nadert, in zijn toestand ingaat, en de eens verbroken gemeenschap

zich al

op

het

van het persoonlijk leven herstelt. Hiermee ontstaat echter een gevaar. Neigt de Erbarmer zich tot het Hem ontvallen schepsel neer, gaat het goddelijke in deze ontluisterde wereld in, en wordt het eeuwigheerlijke des Heeren met onze verbroken en ingezonken natuur vereenigd, dan zou dat goddelijke op onwaardige wijs met het zondige kunnen vermengd, en dies van de zuiverheid en geheelheid zijns wezens kunnen beroofd worden. Dit nu kan noch mag. Juist het tegendeel veeleer is het gi'oote doel der Openbaring van Gods genade. Het goddelijke moet niet door het zondige tot doorvloeiens toe worden verzwakt, maar moet in het gebrokene en gezonkene onzer natuur ingaan, om, zelf ongedeerd en in volle majesteit blijvende, ons in zijn eigen natuur om te zetten, in zich op te nemen en met zijn eigen leven te doordringen. Die daad Gods nu, waardoor Hij de onware vermenging van het goddelijke met het zondige tegenhoudt en integendeel ons leven in de natuur van het goddelijke omzet, noemt de Schrift „Heiligen." Yormt nu de Vleeschwording des Woords in deze Openbaring Gods het middelpunt, dan ligt het in den aard der zaak, dat deze daad van „heiliging" een verschillend karakter moet dragen, naar gelang we ons in den toestand voor zijn verschijnen verplaatsen, of reeds juichen in den Zoon die kwam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's

Heils termen - pagina 112

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's