Practijk der godzaligheid - pagina 253
345
„En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben, en allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben." Azaf in Psalm 78 noemt dit Manna „engelenbrood", als hij jubelt: „En een iegelijk at het brood der machtigen en Hij zond hun teerkost tot verzadiging; Hij gaf hun hemelsch koren." Dat onze Heere in dit Manna een afschaduwing van zijn eigen Middelaarswezen zag, sprak Hij uit met deze woorden: „Uw vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn en zijn gestorven, ik ben dat levende brood, dat uit den hemel is neergedaald, opdat de mensch daarvan ete en niet sterve." Herinnert dit Manna in de woestijn niet aan de voeding, die van Godswege voor den mensch bestemd was in het Paradijs? Eijke, schier overbodige weelde den mensch van alle zij omringend en zijn spijze gereed, zonder den minsten arbeid van zijnentwege in het zweet zijns aanschijns; een leven uit de hand des Heeren; een bestaan alleen door Hem. En toch, dat rijke, weelderige, overbodige is den mensch nog te weinig. De eenige boomvrucht, die den mensch onthouden wierd, moet juist daarom, moet opzettelijk bezien, geplukt, gegeten. Op God alleen afgaan, wilde
men
niet.
Vandaar de ommekeer, die in de straf der zonde over den mensch komt. Ge hebt uit Gods hand niet willen leven, leef dan nu van den arbeid uwer eigen hand. „In het zweet uws aanschijns zult ge
uw
brood eten." ook die
Doch
straf,
in stee van den
mensch
verootmoediging de veerkracht der hoovaardij. In het zweet zijns aanschijns zou hij brood eten. Zij het zoo. Maar hij kan anderen voor zich laten werken. Hij kan uit anderer arbeid macht en weelde scheppen. En zie, nu zet de weigevoede mensch zich aan zijn rijk voorzienen disch neer en spreekt in zijn hart: „Mijn hand en de kracht van mijn vermogen heeft mij dit verworven." In dien zondigen levenstoon verviel geheel de menschheid. „Zij aten en dronken tot op den dag dat Noach in de arke ging en de Zondvloed kwam en verdierf ze allen." Die zondige levenstoon blijft ook na den Zondvloed voortduren. De wijnstok wordt geplant en de rechtvaardige Noach is de eerste, die, bedwelmd door den wijn, neêrzijgt. Nu komt de ure dat God zijn volk gaat afzonderen. Abraham wordt geroepen en ontvangt van Melchisedek de sacramenteele teekenen van brood en wijn. Een hongersnood is het, die én hem én Israël én Jacob naar te
brengen,
prikkelt
hem
tot
nieuw
verzet,
tot
tot
Egypte trekt. In dien hongersnood staat de hope der patriarchen nog uitsluitend op de korenschuren van Egypte.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's