De leer der Verbonden - pagina 108
98 morgenotfer en in elke avondofferande ons te waarschuwen, dat de arke des verbonds toch niet zullen denken aan een werkverbond, maar eeren zullen een verbond der genade. De wet ligt wel in de verbondsarke, maar daarover welft zich het verzoendeksel, ziedaar het kort en eigenlijk afdoend bescheid aan een iegelijk, die er elk
we
bij
een werk verbond van wil maken. 3". Dat God de Heere den mensch iets gebiedt, bewijst nog volstrekt niet dat we met een werkverbond in plaats van met een genadeverbond te doen hebben. Aan Abraham wordt ook wel terdege gezegd: „Wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht!" De profeten roepen wel waarlijk: „Ontbindt de knoopen der ongerechtigheid." Onze Heiland getuigt wel zeer stellig: „Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is." En zijn apostel aarzelt geen oogenblik, om het uit te spreken: „Hebt een afkeer van het booze en hangt het goede aan!" Toch is dit alles in het genadeverbond gesproken. En een werkverbond wordt het dan pas, als er bij komt: „Doe dit, want dat is de zekere, maar ook uw eenige weg, om ten eeuwigen leven te komen. Zonder dat zijt ge voor eeuwig en onherstelbaar en onherroepelijk verdoemd!'' 3^ Het Sinaïtisch verbond, dat wel de wetsbedeeling in zich draagt, en wel wijst op den vloek, door een ieder die de wet schendt te beloopen, maar dat tevens den weg der verzoening ontsluit, om aan den vloek der wet te ontkomen, staat dus feitelijk niet op den bodem van het wetsverbond, maar wel waarlijk op den grondslag van het verbond der genade. 4". Er is in den gang van de Openbaring Gods niet met eenige op zichzelf staande individuen, maar met de menschheid, en ook niet op enkele individueele geloovigen, maar op het Lichaam Christi, de gemeente, de verborgen en onzichtbare kerk, gerekend. Dientengevolge zien we God den Heere voor zijn openbaring als instrument al die kringen gebruiken, die de massa eenlingen saamschakelt tot één groot geheel. Er is de eenling, het huisgezin, de familie, de stam, de natie, de volkerengroep, en al deze kringen nu zijn voor God den Heere instrumenten, waarvan Hij zich bedient, om de kerk van Christus in haar organischen samenhang tot openbaring te brengen. En zoo is het dan geschied, dat God de Heere eerst een eenling nam (Abraham), uit hem eene familie schiep (Isaak), uit dien weer een hoofd der daarna uit die stammen een volk stammen voortbracht (Jacob) smeedde in den smeltkroes van Egypte (Israël); uit dit Israël den Christus deed voortkomen naar het vleesch om nu aldoor de menschheid (d. i. de volkeren) te verzamelen onder hun Koning, en aldus de kerk te doen wortelen in den wortel zelf van ons geslacht. Bij elk dezer bedeelingen moest de Openbaring zich dus hullen in den vorm die bij die bedeeling hoorde. Aan het volk, aan Israël toegekomen, moest die bedeeling dus wel dragen het nationale :
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's