Het heil ons toekomende - pagina 19
de beeldspraak blijkbaar betrekking op een, die staande in het heiligdom, het heiligste ontwijdt door het aan iets onreins en onheiligs toe te werpen. De naam van het onreine dier immers werd van zelf scheldwoord voor een mensch, dien men verachtte. Vandaar de naam van „honden" op Israëls lippen, zoo dikwijls ten opzichte der heidenen en ook van ons Christenen, gehoord. Toch werd deze term der verachting niet uitsluitend van de Goiim of heidenen, maar ook van het verachte deel des eigen volks gebezigd. Simeï was een Jood en werd door Abisaï voor „hond" gescholden. Israëls blinde leidslieden worden door Jesaja als „stomme honden" geteekend. Paulus ontziet zich niet de Joodsche dwaalleeraars in Filippi's gemeente als „honden" af te schilderen. Yeilig kunnen we dus zeggen, dat met den naam der verachting, als „honden," alle personen 't zij uit de heidenwereld, 't zij uit het
eigen volk, kunnen bedoeld zijn, die voor den Farizeër een voorwerp van verachting waren. Wie dit in het door Jezus geteekend beeld waren, kan aan geen
onderhevig zijn. verachten in de oogen der Farizeën waren de „zondaars en tollenaars," de „schare die de wet niet kende," de voorschriften hunner reiniging niet opvolgde, en dus als onrein en veracht buiten de heilige gemeenschap met den engeren kring van de „rechtvaardigen"
twijfel
De
gesteld werden
Aan die verachte schare nu men vleesch toewerpt aan een Wat beteekent dit? In
het
Oosten,
en
wierp de Farizeër het heilige hond.
blijkens de
gelijkenis
toe, gelijk
van den armen Lazarus
in Palestina, liepen de honden zonder dak huis, als verafschuwde dieren wild en hongerig door de straten. Wie met iets eetbaars over straat ging, mocht wel toezien, om zich tegen de wraakzucht dezer dieren te wapenen, en omgekeerd, wie er vermaak in schepte een sleep dezer honden achter zich te hebben, behoefde hun slechts nu en dan een stuk vleesch toe te werpen, om
ook en
tijdens
Jezus'
leven
van een bassend gevolg verzekerd te zijn. Leidt dit ons niet op het spoor? De Farizeër koesterde voor „de schare die de wet niet kende," voor de honden onder hun volk, een diepgaande minachting. En toch ze hadden die „honden" die „schare," noodig. Zonder die schare zou een Farizeër al de lust van zijn leven vergaan zijn. Imuicrs, hij zocht bewondering. Al zijn vertoon was, om van de schare uezien en als een heilige vereerd te worden. Niets was den Farizeër liever, dan zulk een heir van „honden," zulk erii groep van „de verachte schare" op straat, zij het ook op zekeren afstand, in zijn gevolg
te
zien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's