Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Het heil ons toekomende - pagina 19

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het heil ons toekomende - pagina 19

3 minuten leestijd

de beeldspraak blijkbaar betrekking op een, die staande in het heiligdom, het heiligste ontwijdt door het aan iets onreins en onheiligs toe te werpen. De naam van het onreine dier immers werd van zelf scheldwoord voor een mensch, dien men verachtte. Vandaar de naam van „honden" op Israëls lippen, zoo dikwijls ten opzichte der heidenen en ook van ons Christenen, gehoord. Toch werd deze term der verachting niet uitsluitend van de Goiim of heidenen, maar ook van het verachte deel des eigen volks gebezigd. Simeï was een Jood en werd door Abisaï voor „hond" gescholden. Israëls blinde leidslieden worden door Jesaja als „stomme honden" geteekend. Paulus ontziet zich niet de Joodsche dwaalleeraars in Filippi's gemeente als „honden" af te schilderen. Yeilig kunnen we dus zeggen, dat met den naam der verachting, als „honden," alle personen 't zij uit de heidenwereld, 't zij uit het

eigen volk, kunnen bedoeld zijn, die voor den Farizeër een voorwerp van verachting waren. Wie dit in het door Jezus geteekend beeld waren, kan aan geen

onderhevig zijn. verachten in de oogen der Farizeën waren de „zondaars en tollenaars," de „schare die de wet niet kende," de voorschriften hunner reiniging niet opvolgde, en dus als onrein en veracht buiten de heilige gemeenschap met den engeren kring van de „rechtvaardigen"

twijfel

De

gesteld werden

Aan die verachte schare nu men vleesch toewerpt aan een Wat beteekent dit? In

het

Oosten,

en

wierp de Farizeër het heilige hond.

blijkens de

gelijkenis

toe, gelijk

van den armen Lazarus

in Palestina, liepen de honden zonder dak huis, als verafschuwde dieren wild en hongerig door de straten. Wie met iets eetbaars over straat ging, mocht wel toezien, om zich tegen de wraakzucht dezer dieren te wapenen, en omgekeerd, wie er vermaak in schepte een sleep dezer honden achter zich te hebben, behoefde hun slechts nu en dan een stuk vleesch toe te werpen, om

ook en

tijdens

Jezus'

leven

van een bassend gevolg verzekerd te zijn. Leidt dit ons niet op het spoor? De Farizeër koesterde voor „de schare die de wet niet kende," voor de honden onder hun volk, een diepgaande minachting. En toch ze hadden die „honden" die „schare," noodig. Zonder die schare zou een Farizeër al de lust van zijn leven vergaan zijn. Imuicrs, hij zocht bewondering. Al zijn vertoon was, om van de schare uezien en als een heilige vereerd te worden. Niets was den Farizeër liever, dan zulk een heir van „honden," zulk erii groep van „de verachte schare" op straat, zij het ook op zekeren afstand, in zijn gevolg

te

zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's

Het heil ons toekomende - pagina 19

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's