Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Heils termen - pagina 159

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Heils termen - pagina 159

2 minuten leestijd

149 en dat ze nog niet kan komen, zoo ingegaan in het hart. Noch de zedelijke vorming buiten het geloof, noch de voorbereidende genade voor het geloof, mag met „heiligmaking" verward worden. Alleen wie aan kan,

waar

lang

de

Cliristus

Christus

niet

niet

is,

is

Christus deel heeft, heeft haar.

XIV.

DE HEILIGING EEN DAAD GODS. De geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn en door Jezus Christus bewaard. Judas

VS. 1.

Zooveel wonnen we dus reeds, dat van „heiligen of heiligmaking'* geen sprake kan zijn, waar de zonde niet is uitgebroken en die uitgebroken zonde niet door genade bestreden wordt. Geen heiliging waar de zonde nog niet, en evenmin waar de zonde niet meer werkt; maar ook geen „heiliging" dan door de genade, dan in de sfeer door die genade bewerkt, dan in den zondaar, naar wien de arbeid der genade uitgaat, of in wien ze reeds werkt. Die beide kenteekenen: zonde en genade zijn in even volstrekten zin onmisbaar. Waar ook slechts een dier beiden als ontbrekende wordt gecoacht, vervalt de heiliging van zelf. Alleen door die kenteekenen uit het oog te verliezen, geraakt men op den weg der heiliging spoor en richting bijster.

Ook de vraag: „Wie de heiliging werkt?" moet dus aan de hand dezer beide gegevens in dien zin beantwoord worden dat de heiliging een daad Gods is, die slechts door 's menschen daad heengevlcchten en er mee saamgestrengeld wordt, waar en voor zoover de Drieeenige met de persoonlijkheid des bekeerde in onmiddellijke gemeenschap :

treedt.

Hieruit vloeit terstond voort, dat de „heiliging" die den geroepene afzondert van de wereld en uit den dood in het leven doet oveigaan, in niets en in geen enkel opzicht daad des menschen zijn kan. „Heiligen" in den eerst door ons beschreven zin, „heiligen" gelijk het in de H. Schrift verre het meest voorkomt, „heiligen" gelik het in zijn hoofdbeteekenis de principieële afscheiding en afzondering aan-

waardoor de geroepenen des Heeren uit de vermenging met wereld worden uitgenomen en overgezet op het heilig erf van Gods Koninkrijk, kan ook zelfs voor het geringste deel geen vrucht van 's menschen daad zijn, maar moet eenig en alleenlijk aan God als den Werker en Bewerker worden toegekend. duidt,

de

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's

Heils termen - pagina 159

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's