Heils termen - pagina 81
71
Heere kan gedacht worden en uitsluitend aan en beteekenis ontleent.
zijn
genade haar kracht
Zeer scherp springt dit in het oog, zoo we het Heilsverbond en het Noachsverbond tegen elkander stellen. Wel treden beiden in de Schrift op onder den vorm des Verbonds, maar toch is het onmogelijk het onderscheid tusschen beiden niet reeds bij den eersten oogopslag in te zien. Het Heilsverbond bloeit op den wortel der uitverkiezing; het Noachitisch Verbond daarentegen wordt gesloten met alle vleesch. Het Heilsverbond brengt „verlossing van eeuwig verderf ;" het Noachitisch Verbond slechts sparing van een tijdelijk leed. Het Heilsverbond eindelijk kan zonder geloof geen oogenblik zelfs gedacht worden; het verbond daarentegen met Noach gesloten, wordt van geloof bij niet gerept, maar het toegezegde heil aan allen, zonder kust of keur,
beschoren.
En
nu
het verschil tusschen beider Teekenen? het Teeken, bij Noach's Verbond gevoegd, uitsluitend een daad Gods is, de Teekenen daarentegen van het Heilsverbond tot stand komen door een doen des menschen. Het Teeken des Noachitischen Verbonds is de Eegenboog, de Boog
wat
Immers
is
dit,
dat
de wolken. Welnu, denk u den mensch geheel weg, toch zal die zevenkleurige gordel om het wolkenheir geworpen worden, zoo dikwijls de zon haar stralen schiet in het aangezicht der druppelende wolken. God de Heere is het, die zijn Boog aan het uitspansel stelt. Bij zijn verschijnen v/erkt geen schaduw zelfs van 's menschen doen mede. Alleen het menschelijk oog, dat den kleurengloed opvangt, is werkzaam, maar werkzaam in geheel lijdelijken, ontvangenden zin. Hoe geheel anders daarentegen bij het dubbel tweetal Teekenen, dat onder den komenden en gekomenen Christus van 's Heeren wege voor het Heilsverbond verordend is. De Besnijdenis wordt ingesteld, maar hoort, nu heet het niet als bij Noach: „Ik heb dit Teeken gesteld," maar juist omgekeerd: „Dit is het Teeken, dat gij onderhouden zult." Alleen door den mensch wordt aan den mensch de Besnijdenis voltrokken. Denk u bij dit Teeken den mensch weg, en immers het Teeken wordt ondenkbaar. Niet anders is het bij het Teeken des Paaschlams. Ook hierbij heet het: „Gij zult nemen," „Gij zult slachten," „Gij zult eten," en al wordt dit Teeken, behalve aan den mensch, ook aan het „lammeke" en de „ongerezen brooden" en de „kruiden" verbonden, toch gevoelt elk, dat, in tegenstelling met den Eegenboog, ook dit Teeken niet als een onmiddellijke daad Gods kan worden opgevat, en ook dit Teeken, zoo ge den mensch werkeloos denkt, geheel vervalt. En evengelijk we het bij het Tweetal Sacramenteele Teekenen des Ouden Verbonds zagen, is het immers ook bij het heilig tweetal Teekenen des Nieuwen Testaments. Denk u terug in de hoogheilige ure, toen het Teeken van „Brood en Wijn" werd ingezet, en geen klank hoort ge immers, die u het woord van in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's