Dat de genade particulier is - pagina 64
54 gaan; en wel valt dus elke verontsclinldiging weg, die de Godloochenaar voorwendt; maar afdoend, maar zaligmakend, maar zuiver, maar voor den zondaar genoegzaam is die natuurlijke Godskennis volstrekt niet.
Wij
mogen
er
ons dus volstrekt niet aan storen, of
men
al
heeft gevonden, buiten de Heilige Schrift zich een denkbeeldigen
goed
God
van wiens gezindheden en bedoelingen men, naar den maatstaf der menschelijke liefde, met de grootste verzekerdheid, de strijdigste dingen wist te verhalen. Dat toch is alles een spel van gissingen, vermoedens, meeningen; maar waaraan elke grond van zekerheid ontbreekt. En wijl het ons nu volmaakt onverschillig is, of onze belijdenis van de waarheid al dan niet overeenkomt met wat het sommigen menschen belieft van God te denken of zich in te beelden; en het er ons alleen maar om te doen is, om wel en scherp toe te zien, dat onze belijdenis algeheellij k strookt met den levenden God zelf, zooals Hij wezenlijk is en werkelijk bestaat, zoo kunnen en mogen we ons niet anders dan met de Heilige Schrift inlaten, als die alleen weet en zegt en toont, wie God en hoe die God wezenlijk God is. En ons dunkt zelfs de ongeloovige moet toestemmen, dat we daarin gelijk hebben. Immers van tweeën één: of in de Schrift hebben we geopenbaarde waarheid, óf wel een geopenbaarde w^aarheid is er niet. welnu dan werd immers elk nader onderStel nu, ze was er niet, zoek overbodig; want is er geen stellige zekerheid te verkrijgen, dan en beis mijn gissing even veel of even weinig waard als de uwe staat er geen de minste reden, waarom ik mijn belijdenis van de particuliere genade naar uw ingebeeld begrip omtrent God veranderen zou. En is er daarentegen in die Heilige Schrift, gelijk we met stillen dank belijden, wel stellige waarheid geopenbaard, dan mag ik immers niet alleen, maar dan moet ik uw voorstelling omtrent den omvang der genade wel zoo lang en zoo volhardend bestrijden, tot ze ophoude te kort te doen aan wat ons aangaande het wezen van het Hoogste Wezen in die heilige oorkonden is geopenbaard. En dit nu alzoo vaststaande, zij het bescheidenlijk, maar met den diepsten ernst tevens, aan de overweging uwer ziele overgegeven, of het niet aan de eere van Gods Wezen te kort doen is, indien ge in het bepleiten der algemeene genade volhardt? uit te denken,
;
W^at toch is de voorstelling, die zich de doordenkers op het standpunt der algemeene genade van den Heere onzen God maken? Ze beelden zich dan in, dat de hooge en heilige God, wien al zijne werken van eeuwigheid bekend zijn, van eeuwigheid af geweten, ge-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's