Heils termen - pagina 221
211 8 bewijst overVergelijking met het Godswoord uit hoofdstuk 54 tuigend, dat we deze uitspraak in gemelden zin hebben te verstaan. Daar toch heet het: „In een kleinen toorn heb Ik mijn aangezicht van u een oogenblik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik mij uwer ontfermen." Wat in het 60ste hoofdstuk Gods „Welbehagen" wordt genoemd, was dus hier reeds verklaard als :
„eeuwige
een uitdrukking die, op het Schrifteeuwigen oorsprong der goedertierenheid terugwijst. Eeuwig in de toekomst kan slechts zijn wat eeuwig in diepte, en dus ook eeuwig van oorsprong is. De gedachte eener „eeuwige goedertierenheid" brengt dus met zich, dat de grond, de bewegende oorzaak van deze goedertierenheid in God zelf, in het eeuwige van zijn Wezen ligt, en dus kort gezegd met „Welbehagen" in den verhevensten zin volkomen gelijkluidend is. Uit dit „Welbehagen" Gods nu komt ook zijn „Ontferming" voort. Er kan geen „Ontferming" zijn, waar geen „Welbehagen" is voorafgegaan, be „Ontferming" kan zich naar geen schepsel uitstrekken, dat niet vooraf reeds voorwerp des „Welbehagens" was. Slechts de schijnbeweging der zonde kan ons hier op één oogenblik het rechte licht doen verliezen. Het feit der zonde is er. Het is uit ons denken niet weg te nemen, en breekt dus noodzakelijk de gezichtslijn, die van uit onze ziel, door onzen oorsprong, in God terug moet gaan. Denk u in* uw verleden, in de diepte van uw eigen wezenheid terug, en altijd verder terug, tot ge aan den oorsprong van uw aanzijn in dit leven, ja tot aan uw ontvangen worden in den moederschoot zijt teruggegaan, en immers, zoo het feit der zonde wierd weggedacht, zoudt ge bij die laatste stip van uw levenslijn de onmiddellijke aanraking met den Schepper moeten vinden, uzelven de levenswording bewust moeten zijn, waarmee ge uit de omsluiting van zijn hand zijt voortgekomen, en niet voor u uit, maar achter u de poorte vinden, die u den toegang tot Gods verborgen omgang omsloot. Dat dit niet zoo is, komt door de schuld der zonde. Juist in dat heilig teeder oogenblik van onze levenswording, in de ontvangenis, schoof de zonde zich tusschen ons en Gods Vaderhart en nu ligt ze daar achter ons, om ons den toegang te versperren, den blik terug af te snijden, die ons hart door te benemen en de gemeenschap met zijn God. Alleen hierzoeken willen zou zichzelf teruggang in terrein
goedertierenheid,"
althans,
naar
den
door is het verklaarbaar, dat het worstelen in het eigen hart nooit tot de kennisse des levenden Gods, maar of tot een zich begraven in de zonde, of tot weemoed en wanhoop leidt. Hierin ligt de oorzaak, waarom de eenheid met ons zelf en de toegang tot ons eigen wezen in zijn verborgen achtergrond elk in zonde geborene ontzegd is. Eerst hierdoor kan het zielkundig verklaard worden, waarom slechts zulk een ons redding kan brengen, die, in zijn eigen persoonlijkheid
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's