Heils termen - pagina 130
120 dingen, die niet gezien worden, 's Heeren volstrekte onafhankelijkheid van iets buiten Hem en zijn Woord is dus de hoofdeisch, die in het scheppingsbegrip der Schrift tot ons komt, maar verre van dat Woord Gods daarbij als ledigen klank, als hollen vorm, als toevallig middel leert de heilige Openbaring ons in dat Woord Gods te verstaan, de onzienlijke kracht aanbidden, waaruit al het geschapene is voortgekomen. „Uit niets" is derhalve zoo te verstaan, dat niets zichtbaars aanwezig was, waarvan God zich ter schepping zou bediend hebben. Hij is een God die de „dingen die niet zijn" d. w. z. die nog tot geen aanzijn in het geschapene zijn gekomen, roept alsof ze waren. Maar dat Hij dit doet en doen kan, heeft zijn diepsten grond juist daarin, dat de geestelijke levenswortel aller dingen, de onzichtbare geestelijke kiem, waaruit alle ding te voorschijn wordt geroepen, hun plan, hun verordineering en hun roeping voor eeuwig, als scheppingsdoel des Heeren, „van den beginne aan" voor Gods aangezicht, verborgen ligt in zijn alles scheppend, alles dragend en alles omvattend Woord. Al leeft deze schepping reeds duizenden van Jaren, er is dus niets aan haar toegevoegd, maar slechts allengs openbaar geworden, wat de Heilige van den aanvang af in zijn scheppingsplan voor en over haar besloten had. In het Woord Gods wordt niets, maar is alles van eeuwigheid. Ligt nu voor al het geschapene de volstrekte levensgrond in dat eeuwige Woord onzes Gods, dan lijdt het geen tegenspraak, dat in de achtereenvolgende eeuwen slechts datgene openbaar wordt, wat van eeuwigheid voor Gods aangezicht in zijn Volkomen Woord besloten lag. Dit geldt nu ook van de nieuwe schepping in de wedergeboorte. Ze is schepping uit niets, voor zoover er in den zondaar volstrekt niets is, waaruit dit nieuwe leven komen, of waaraan de Ontfermer bij zijn nieuwe schepping gebonden zou zijn. Maar dat „uit niets" mag ook hier niet in magischen zin verstaan worden. Ook hier, even als bij den aanvang aller dingen, is het een schepping „door het Woord." „Naar zijnen wil heeft Hij ons gebaard, door het Woord der waarheid" (Jac. 1 18). Het nieuwe leven, dat zich bij de wedergeboorte ontsluit, waarin de machtdaad van Gods genade ons overzet, is dus in dat woord besloten, eer het tot ons komt, en in de volstrekte volheid aanwezig, eer het voor ons bewustzijn allengs ontwaakt. Wat we in eeuwigheid worden zullen, is reeds van de eerste ure af in Christus tegenwoordig; wat we Gode ter eere, nu of in eeuwigheid doen zullen, is in dat Woord Gods voor ons bereid, eer :
er met hart of hand nog in wandelen kunnen. Elk denkbeeld van toeneming in den zin van bijvoeging is dus volstrekt onhoudbaar. Dit te willen, zou zooveel zijn als het dorre, magische begrip van scheppen, dat de Heidenwereld had, inruilen voor het heerlijk, levenskrachtig denkbeeld dat de Schrift ons hiervoor biedt. Het is in den diepsten zin loochening van de eeuwige Godheid des Woords, ver-
wij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's