Het heil ons toekomende - pagina 200
190 als
de
de
tijd
arm en oppervlakkig-
leeg en
tijd
verteert
u.
De eeuwigheid
is
is.
De eeuwigheid
vervult u,
rust en peillooze vrede, de tijd
voortsnellen en zich uitputten. Verre van één te zijn, staan scherp tegenover elkander. Zoo lang ge in den tijd leeft, derft ge juist daardoor het rijke, diepe en volle, dat er in de rust en den vrede van het eeuwige schuilt. En omgekeerd, zoo ge met de diepste kern van uw wezen in het eeuwige gezet zijt, smaakt ge daar rusteloos ze
veeleer
dien volheerlijken vrede en wordt door de schommelingen nooit de bodem van uw zielsleven blootgewoeld. Hieruit volgt dat eeuwige verkiezing nog iets anders en hooger is dan verkiezing vóór een zeker aantal jaren, ook al stond men toe, dat dit aantal tot een onafzienbare reeks van eeuwen wierd uitgedijd. Zal de uitverkiezing Gods eeuwig zijn, dan belijden we hiermee, dat ze een daad des Heeren is, die niet volbracht is in deze bedeeling van den tijd, tot dezen gezichtskring niet behoort en derhalve met den graadmeter, voor deze bedeeling voegend, niet meetbaar is. Ze behoort dus tot een andere orde van zaken, tot dat andersoortig, in zijn eigen majesteit besloten leven Gods, „dat Hem zelf bekend is en niemand anders;" en mag diensvolgens nooit door eenig oogenblik in den tijd als afgesloten worden beschouwd. Elke beperking, die aan de categorie van den tijd ten opzichte van de uitverkiezing zou kunnen ontleend worden, moet kortweg worden afgesneden. Dat is het wat de Heilige Schrift bedoelt, als ze verklaart en openbaart, dat de uitverkiezing een daad Gods is vóór de grondlerjging der wereld. Zoo zegt Paulus in Efez. 1:4: „Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem vóór de grondlegging der wereld." Zoo heet 34: „Beërft dat Koninkrijk dat u bereid is van ?;oor het Matth. 35 8: „dat de namen gede grondlegging der wereld" Openb. 13 schreven zijn in het boek des levens des Lams van voor de grondlegging der wererd;" 2 Tim. 1:9; „geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus voor de tijden der eeuwen;'" Tit. 1:2: „In de hoop des eeuwigen levens, welke God, die niet liegen kan, beloofd heeft voor de tijden der eeuwen; en 2 Thess. 2:13: „Dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid," waarmee niet de roeping door de Apostolische prediking, maar de uitverkiezing in eigenlijken zin bedoeld is, gelijk blijkt uit wat terstond volgt: „Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie." Leer der Schrift is derhalve, dat ook van de uitverkiezing Jacobus' uitspraak geldt: „Gode zijn al zijne werken van eeuwigheid bekend"
nu
reeds
van den
tijd
:
:
18. Hand. 15 Het denkbeeld :
vervallen.
Aan
te
eener uitverkiezing na den zondeval is hiermee nemen, dat God Almachtig, nadat de verdorvenheid
onzer natuur door ^ Adams zonde ontstaan was, tot de daad der uitverkiezing zou zijn overgegaan, strijdt met de stellige openbaring van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's