De leer der Verbonden - pagina 34
;
21 of het eeuwig gezaligd worden van de menschelijke persoonlijkheden; zonder dat tevens in dien raadslag een „verbond" gegeven was; dan zouden we met dien „raad" op zichzelf niets hoegenaamd vorderen; de kerk zou tot een geestelijk kerkhof worden; alle prediking dood geen sacrament zou meer gezocht worden doelloos alle vermanen zijn ijdel zijn bevonden; en alles zou uitloopen op alle liefdewerk zou een troosteloos en hopeloos omwroeten van den bodem der ziel en een even troosteloos en hopeloos staren naar boven of men dat ééne ook te weten kon komen: „wat er in dien raadslag des Eeuwigen toch geschreven staat omtrent ons zelf en de onzen?" En de uitkomst toont dan ook, dat, zoodra de prediking van het Verbond zoek raakt, er onveranderlijk één van deze beide gebeurt: of dat de luchthartigen en oppervlakkigen dan ook maar den ganschen raad Gods opzij schuiven, óf wel dat de ernstig gestemde en God zoekende zielen onder dien „raad" geestelijk bezwijken en in bange duisternis blijven neerzitten tot aan hun dood. Het eerste is thans het meest algemeen. Het meer luchthartige Christendom, dat de „nauwe poort" wegneemt en eigenlijk oordeelt, dat Jezus met van „den engen weg" te spreken, zich te somber en zwaarmoedig uitliet, leeft in en met en bij dien „raad" Gods volstrekt niet meer. Zij, die dit „aangename" Christendom voorstaan en belijden, spreken er dan ook bijna nooit meer van. Het komt in hun gedachtenloop niet zoo voor. En is het al dat soms of een gesprek met een bezwaarde van hart, óf een bepaald Bijbelwoord, óf het stuk der Voorzienigheid hen noodzaakt om over dien „raad" Gods zich uit te laten, luister dan zelf maar eens toe, hoe men dan, den naam van „raad" bijbehoudende, het wezen van dien raad wegcijfert, loochent en bestrijdt. Die „raad" Gods wordt dan óf versmolten in het algemeene Godsbestel, en dus verdronken in de algemeene Voorzienigheidsleer óf wel, indien men dien „raadslag" nog op het eeuwig heil toepast, maakt men er een raadsbesluit van, om het heil in Christus aan zondaren aan te bieden, op gansch onzekere kansen af, of het er van komen of niet van komen zal, dat sommigen der zondaars, of ook allen, het aannemen. Of eindelijk, indien men ook al toestemt, dat die „raad" óók op het eeuwig lot der bijzondere personen ziet, dan breekt men er toch weer de vastheid en dus de goddelijkheid van, door het daarnaast opstellen van een menschelijken finaal „beslis;
;
;
senden"
wil.
Terwijl omgekeerd in al zoodanige kringen, waar werkelijk zielsangst
gekend en dus naar
troost gedorst wordt; in kringen, waar het allergeloof niet in apologetische beschouwing op- noch in deugdsleer ondergaat in kringen, waar men den schrik des Heeren doorleeft, en worstelt om zijn eeuwige goedheid te grijpen; dat misduiden heiligst
;
van
Gods
„raad"
—
als
moest
in het staren daarop ons geloof kracht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's