Heils termen - pagina 17
7 er, wien Hij alleen geopenbaard is in zijn macht en goddelijkheid. Er zijn anderen, wien Hij daarenboven ook in den toorn des gewetens zijn aanzijn doet gevoelen, en weer anderen, die zijn „Woord" kennen, en wie Hij in dat „Woord" openbaar wierd als een God van heiligen toorn en daarom van alles verwinnende ontferming. Vooralsnog verschilt dus de Openbaring des Heeren, en dien ten gevolge noemt elks hart den Eeuwige met een anderen naam. De een noemt Hem „Voorzienigheid," de ander „den Schepper," weer anderen „den Heere," anderen eindelijk spreken Hem als „Vader" toe. Maar nu, te dien dage, zegt de profeet, zal die verscheidenheid een einde nemen, dan zal de Heere aan al zijn volk openbaar wezen," en één
Naam
dus de één
des
Heeren
z
ij
n, gelijk voorafgaat, dat „Hij
zelf
zijn zal."
De „Naam
des Heeren," dat is dus „de Heere zelf, voor zoover Hij door zijn woord en Geest aan zijn schepsel heeft bekend gemaakt, voor hem geopenbaard en in laem verheerlijkt heeft," God zelf, de Verbondsgod, en daarom zingt de Psalmist van godzaligen onder zijn volk, „die zijn Naam liefhebben," „zijn Naam danken" „zijn Naam zoeken" (LXXXIII (GXXII 17), en „zijn Naam 4), des de roept hij uit: „dat Daarom vreezen" (LXVI 6). naar waar wij de gansche aarde," heerlijk is over Heeren onze spreekwijs eer zeggen zouden, dat „de Naam des Heeren over de gansche aarde gelasterd wordt" (VIII 2). Die „Naam Gods" is het leven van den Verbondsgod zelf, het leven dat zich naar zijn volk toekeert. Dies heet het: „omdat wij op den Naam zijner heiligheid vertrouwen," en gaat elders het smeeken op „Heer, verlos mij 31 en LIV door uwen Naam" (XXXIII 3). Eeeds nu vermoeden we dus, dat het gedoopt worden „in den Naam des Drieëenigen" nog iets meer zegt, dan onder aanroeping, of tot belijdenis. Is ook hier „de Naam van Vader, Zoon en Heilige Geest," niets anders dan het openbaringsleven van den Drieëenige zelf, dan is de inhoud van dat woord veel rijker, de gedachte die er ons in toespreekt veel dieper, en wijst het „gedoopt worden in den driemaal heiligen Naam," op een in gemeenschap treden met, in betrekking komen tot den Hoogheerlijke zelven, die zich als „Vader, Zoon en Geest" aan zijne gemeente openbaart. We dringen een volgend maal hierin dieper door. Moge reeds nu, door wat we nagingen, de „Naam des Heeren" ons dierbaarder zijn geworden, en ook onze ziel meetrillen, als we de vromen des Ouden Verbonds met zoo warme bezieling hooren juichen, hoe zij, der wereld zich
:
:
Naam
:
:
:
:
spot, van niets anders vermelden (Psalm XX).
ten
:
dan van dien
Naam
des Heeren willen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's