Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Het heil in ons - pagina 218

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het heil in ons - pagina 218

3 minuten leestijd

!

Toen de eerste mensch nog alléén op aarde was, kon er van zedelijk leven voor hem geen sprake zijn. Hij kon niet stelen, want alles was het zijne; hij kon niet doodslaan, want er was niemand bij hem. Hij kon niet echtbreken, want geen echt was nog geheiligd. Hij kon niet valsch tegen zijn naaste spreken, want er was niemand die luisteren kon. Hij kon niet zijns naasten goed begeeren, want die naaste bestond niet. Een zedelijk leven was derhalve onmiddellijk na de schepping ondenkbaar. De kiemen er voor lagen zeer zeker in 's menschen natuur, maar uitkomen kon het nog niet. Wel daarentegen het gemoedsleven, wel werken kon het besef van aanhankelijkheid en afhankelijkheid, van bewondering en aanbidding, van liefde en toewijding, van ootmoed en vertrouwen, en deze geestelijke krachten konden zich op geen ander voorwerp richten dan op den levenden God, eenvoudig wijl een ander ideaal nog niet bestond en er nog geen afgod gevonden was. Opmerkelijk is het daarom ook, dat de zonde haar oorsprong vindt, niet in handtastelijk vergrijp tegen het zedelijk leven, maar in wantrouwen. In veler oog zou de oorsprong der zonde zich veel natuurlijker verklaren, indien ze met doodslag of echtbreuk begonnen ware, met een gruwelijke misdaad, een handtastelijk vergrijp tegen het zedelijk leven. Dan zou men nog evenredigheid vinden tusschen de zonde en de haar gevolgde straf. Maar het eten van een verboden vrucht De Heidelbergsche Catechismus heeft dit gevoeld, en spreekt daarom van een afval, die aan de ongehoorzaamheid voorafging, geheel op het voetspoor van Mozes' verhaal, dat ons eerst op de zonde van het gemoedsleven wijst, en daarna in het eten der verboden vrucht slechts het gevolg doet zien van een kwaad, dat reeds bestond. De zedeliike en de godsdienstige levenssfeer zijn daarom wel verwant, maar toch verre van saam te vallen. Wat uit den persoonlijken omgang met den levenden God voortvloeit staat het hoogste, is het eerste, en mag nooit in zedelijke strevingen opgaan. De godgeleerden en predikers, die hun kracht zoeken in het kweeken van het zedelijk leven en het persoonlijk leven met den Heere als mystiekerij en dweepzucht slechts tot op zekere hoogte gedoogen, miskennen hun roeping, en de Gemeente is in haar volste recht, zoo ze zich hardnekkig tegen deze omkeering der juiste verhouding verzet. Op staatkundig terrein, op het gebied waar de wet heerscht, komt het allereerst op het uitwendig leven van mensch en mensch aan; maar in de Kerk mag geen ander uitgangspunt gezocht, dan in het mystieke leven, het verborgen wezen des menschen, zijn persoonlijke

verhouding

tot zijn

God.

Natuurlijk niet in den zin, alsof op de eischen van het zedelijk velen iets, hoe gering ook, ware af te dingen. Geloof, dat niet in

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's

Het heil in ons - pagina 218

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's