Honig uit den rotssteen - pagina 218
204 vun klein
dit
als
hunner
want
geest,
kindeke,
Indien ge niet wordt groeten der aarde, zoo is uw deel aan
het Koninkrijk!"
is
o,
gij
Jezus wes:!"
Maar
niet
enkel
dat
die
„groote
lieden" in gevaar voor zichzelf
brengen ook een gevaar voor de kleinen met zich. men ze oefenen zulk een overmacht Ze hebben zulk een overwicht en als nu die macht van geld of geest of kan niet tegen ze op vernuft ongeheiligd is en dus in den dienst van het egoïsme gaat, dan wordt die ellendige overmacht voor den kleinere zoo benauwend, zoo drukkend. Dan ontstaat er vrees, en uit die vrees wordt beklemdheid, zoo al geen laffe vleierij of opgekropte bitterheid geboren. Ge moet het in een dorpsleven eens kennen leeren, hoe verderfelijk een machtig man daar voor het hooger leven der kleinen werkt. En al komt het op een dorp meer uit, het is in de steden nog erger. De wereld, ons hart is zondig, en elk machtig man, die zelf zondaar onder zondaren is, is een gevaar. Een gevaar zelfs dan nog, als die machtige man niet tegen u, maar voor u is, zoo hij u helpt en u draagt en u schraagt. Want merk er maar op in tiw omgeving, die machtige mannen die met u zijn, brengen u in het dubbel gevaar, om zelf te veel op hen te leunen en hen te veel te laten leunen op uw overspannen bewondering. Zoo komen de afgoden in de wereld. En dan komt er een altaartje; en dan ontsteekt men den wierook; en de eere Gods gaat weg; en de machtige zelf wordt bedorven. De geest van onze eeuw voedt dat ontzettend kwaad zeer sterk. Het is zelfs onder Christenen een zoo sterk roepen in onze dagen om „persoonlijkheden" en „mannen van naam", dat de valsche theorie wel moet veld winnen; de theorie namelijk, alsof de groote lieden, de machtige mannen, de groote persoonlijkheden, heusch iets in verkeeren,
maar
ze
;
;
;
zichzelf waren.
En daarom hebben we dat
óók
een
het
Woord Gods zoo noodig; dat Woord mannen heeft, maar een theorie
theorie over de groote
vlak het omgekeerde zegt, en die tot troost van de zwakken, tot der grooten en tot eere Gods, het eeuw in eeuw uit in de gemeente Christi blijft roepen: „De groote lieden zijn niet wat gij u die
redding
inbeeldt, ze zijn
Want ben
leugen^
een kleine, een zwakke, en geloof ik dat wezenlijk de groote lieden leugen zijn, dan glijdt de bangheid mij vanzelf weer van het hart en leef ik weer op en durf ik ademhalen, jubelend Eén ding heb ik gehoord, tweemaal heeft de Heere in mij zelven het mij gezegd, t. w. dat de sterkte Godes is, en, dat de sterkte viet is in die machtige menschen. ik
dat
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's