Het heil in ons - pagina 260
250 dagen des wederziens, over haar scheiding van den Heere? Zou alles goed zijn, als Jezus er maar was, als Jezus maar kwam, Hij de liefde van ons hart, de wreker van ons leed, de machtige Heerscher?
We
twijfelen!
Eer ontmoeten we een voldaanheid, soms een zatheid des geloovens en
des
wetens,
als
bezat
men
de erfenis reeds,
als
behoefde er niet
ware dat armelijke wat men thans het zijne noemt, al het zalige dat ons Christus door zijn dood verwierf. Spreken over Jezus, lezen van Hem, tot den Christus bidden, zingen van zijn lof, o, het verkwikt de ziel reeds; wel hem die erin genoot; maar heeft dat met het hebben van Jezus zelf iets gemeen? Kunt ge dan de zon u denken zonder haar glans, dien glans zonder stralen, die stralen zonder de tinten die ze spelen doen en de levenswarmte die ze wekken? En heeft dan ons toeven in dezen aardschen tabernakel niet iets van de hut der onzen op Nova-Zembla, door geen licht bestraald, in sneeuw bedolven, door de krakende ijsbergen bedreigd? Ook onze kloeke zeehelden, die den langen winter in het planken huis doorworstelden, wisten wel van de zon, spraken wel van haar glansen, droomden wel van haar verkwikkende koestering, maar heur aangezicht aanschouwden ze niet, haar gloed brak niet door, guur en koud bleef het, dood en dor de natuur om hen heen. En wij, in onze schijnbaar korte, en toch zoo lange vreemdelingschap, zoomin als Barends gebannen, en toch als de Barendsen en Heemskerken uitwonend, ook wij zitten hier opgesloten in onze enge wereld, wel wetend dat de Zonne der gerechtigheid er is, wel jubelend van haar eeuwig licht en haar tintelende glansen, maar ook die Zon kunnen we niet in het aangezicht zien, de dag der heerlijkheid toeft, guur en kil blijft de geestelijke dampkring, Sathan blijft om onze hut sluipen, zoekende wien onzer of uit onze kinderen hij verslinden mocht, en doodsch en dor blijft de akker, waarop de halmen des vredes, de halmen voor den oogst der engelen ruischen moesten. Men hecht aan Bethlehem te veel of, al naar men wil, te weinig!
meer
Te
bij
te
komen,
als
veel.
Want
het schijnt wel, of men in Bethlehem al de profetie vervuld waant dat nu de Christus tot de kribbe is gekomen, heel het Maranatha vervuld is; beeldt zich in dat een kort leven van even dertig jaren, en daarna een scheiding, voor ons hart genoeg en te acht;
over, voor onze ziel het levensbrood
is.
o Die vloek van het verstandelijk gelooven! Alsof het weten van wat voor achttien eeuwen is geschied, de kennisse van Gods trouw en het werk der verlossing, de heugenis van de wondere kracht die eens op aarde uitblonk, ooit levensspij s voor een menschenhart, een bad der verzoening en der wedergeboorte voor den onreine en onheilige zijn kon, waarheid en tenzij
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's