Het heil in ons - pagina 128
118
Hoe wil er nu, zoo bidden we onze teg:ensprekers, in den hier bedoelden zin van een tweeërlei menscb bij mogelijkheid in den onwedergeborene sprake zijn? Immers, naar luid der openbaring ons over ons menschelijk wezen in de Schrift gegeven, is dat juist de diepte der zonde, dat de onwedergeboren mensch in zijn eigen ik opgaat; dat hij wel van een beteren mensch droomt en er mee dweept en dien bezingt in zijn lied, ja, als ideaal dien zich voor oogen laat zweven, maar, en hierop komt het juist aan, dat hij dien beteren mensch
—
niet
in
als
zich
wonende kent,
maar
als iets,
dat nog buiten
hem
zoekt.
is,
den
onbekeerde hebt ge slechts met één mensch, met één één levensuiting te doen. En wel is er in dien éénen mensch een worsteling, een tweestrijd, een aldoor geslingerd worden, maar die twee m richten, waartusschen hi] geslingerd wordt, zijn niet verder gedeeld dan in wil en gedachte en komen beide voort uit één en denzelfden wortel van één zelfde leven en één zelfde menschelijke
In
persoon,
met
persoonlijkheid.
Er staat in den onwedergeborene wel neiging tegenover plichtsbesef, wel een beter weten tegenover een slechter willen, maar niet mensch tegenover mensch, dat is een wil tegenover een wil, een denken tegenover een denken, een hart tegenover een hart; een leven dat zoo tegenover een leven dat anders is. Nog wel een leven der werkelijkheid tegenover een o, zoo prachtig en dwepend leven dat in idealen opgaat, maar een tweeërlei aanzijn, een tweeërlei existentie, een tweeërlei menschelijke levensuiting is er in de realiteit, in den wortel zijner ziele, is er in zijn menschelijke persoonlijkheid niet. Dat kan eerst komen door nieuwe schepping. Door de „schepping" in zijn gemoed van een nieuwen mensch, die er eerst niet was en er nu kwam. Of wil men, door het inbrengen, door Gods genade, tot binnen in zijn hart van dien idealen, van dien uit God geborene, van dien dusver in Christus beslotenen persoon. Dan zijn er in hem twee menschen. De ééne die bestemd is om „verdorven," te worden en weg te vallen, en de andere die geroepen is om te rijpen, om gevoed, om innerlijk gekweekt en door genade gekoesterd te worden, en eens, wanneer de te verderven mensch geheel afvalt en in het niet van den dood wegzinkt, zich volheerlijk in al het schitteren van zijn heilige, hemelsche tinten te ontplooien.
Van
mensch naar buiten, geroepen is, naar binnen gekeerd, en het lijden nu en het kruis der verdrukking zijn van Godswege verordend om die twee almeer uiteen te trekken en tegelijk en door één zelfde zielsbewerking den één ten onder en den ander God op den troon te brengen. Zoo wordt dan door éénzelfde schikking Gods „de uitwendige mensch al meer verdorven en de inwendige mensch vernieuwd die
tot
die twee, is de voor het verderf bestemde
heerlijkheid
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's