Honig uit den rotssteen - pagina 124
!
110 weet
:
God
Zie,
daarin
niet wijken;
boog ik dat
blijft
nu
niet ;
daarin zal ik voor dien Heere
voor mij!
de meesten is het nog veel erger. Bij de meesten is heel het nog opstandig en muitend tegen aller koningen Heer. Maar, u nu niet op te houden bij verschil van mensch en mensch, zij
Bij
hart
om
u desnoods toegegeven dat
op één enkel ding nu, gezwicht zijt ook gij nog evengoed als de slechtste, onder de verzetters en hardnekkigen te rekenen. In ieders hart is het den nek, als een lastdier, dat niet l)uigen wil, opwringen tegen den souvereinen God. Den nek naar God toekeeren d. w. z. maken dat God u niet in het aangezicht kan zien; uw leven en doen voor Hem vreemd houden zijn zoekend oog met geen ontmoetend oog beantwoorden doen alsof ge u aan uw (irod niet hadt te storen; alsof ge niet op Hem te letten hadt. God den Heere laten voor wat Hij is, en voorts gij uws weegs gaan En hoe komt daar nu verandering in? Doordien gij eindelijk tot indenken komt en bij u zelven zegt: „Zóó kan het toch niet langer, o, God, ziehier mijn aangezicht!"? De profeet Jeremia leert het wel anders. Neen, Israël blijft hard van nek. En nu werpt God Israël weg. Werpt Israël in den dood. En begraaft het in Babylons graf. En daarna, als Israël nu ganschelijk niets meer kan, en gevangen en gebonden zit in de kluisters en ketenen van een vreemden heerscher, nu komt God de Heere en zegt Zie, mijn volk, nu zal Ik zelf u mijn vreeze in uw hart geven, dat gij niet van Mij afwijkt (vs. 40). En dan kotnt het. Want dan doet God de Heere dat ook. Zijn Woord is onwankelbaar en getrouw. Maar dan komt het niet zoo, alsof God de Heere ons nu dat nieuwe hart in den boezem gaf, zoodat we nu voorts met de kracht van dat nieuw gemaakte hart ivel God vreezen, den nek buigen en ons aangezicht Hem toekeeren konden. Och, mijn broeder, het is er meê als met het brood. Uw lichaam hongert. Daar is brood, zegt God. En nu ge dit brood hebt, kunt gij nu met dat brood u zelf voeden? Neen, driewerf neen, zegt Deut. 8. Dan is en blijft het nóg God de Heere, die in endoor dat brood u kracht moet toezenden om vermogen te hebben. En gij, die dat zoo goed weet, bidt daarom eerst: „Heere, zegen mij dit anders doode brood, dat alleen door uw woord mij kan voeden." En zoo nu ook is het in het geestelijke! o. Zeer zeker, de mensch, wien God een nieuw hart in zijn boezem inschiep, die heeft alles, en toch hij heeft niets. Want dan alleen kan dat alles in zijn nieuw hart heil aanbrengen, indien God de Heere nu doet, wat dat nieuwe hart gelooft, dat Hij doen kan en zal, en alzoo is Hij dan de werker, en blijft zijns de eere. hadt.
En
juist
om
gij
in
alles,
dat ééne enkele ding nu,
:
!
;
;
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's