Honig uit den rotssteen - pagina 24
.
10
IV.
an
te Itcrncn af tot üc öa^tcn toe! Al de dagen zijns nazireërschaps zal hij eten van iets dat van den wijnstok des is, van de kernen af tot de
niet
wijns gemaakt basten toe.
De Heere onze God geen einde!
is
Num.
6
:
4.
een onzaglijk Koning en zijner majesteit
is
God zijn; zich als God doen gelden; als God. erkend deswege als God alles en een iegelijk ding tot op het binnenste pit doordringen met de machtswerking van zijn goddelijke Hij wil altijd
worden;
en
heerschappij
Voor Hem den Heilige geldt noch bestaat ooit halfheid. Halfheid, dat is een loochening van de wezenseigenschap van
zijn
goddelijke existentie.
Deelen tiisschen Hem en iets anders, dat Hem zou hebben. En immers dat is het juist, waar geheel zijn goddelijke wezenheid zich tegen verzet. Dat kan niet. Dat is ondenkbaar. Den „Naam des Eeiiwigen" te noemen en daarbij van „halfheid" in éénen adem te reppen, is
Want
halfheid
is
deelen.
dan rechten naast of tegenover
ongerijmd.
In Gods Woord is daarom de eisch steeds en zonder beding: „Niets of alles !" Geheel Godes of aan uw God geen deel. En letterlijk put dan ook de Heilige Geest zich in de Schriftuur uit om onder allerlei vorm en op allerlei manier telkens maar weer dat volstrekt en algeheellijk onbestaanbare van elke halfheid voor den hoogen God in al sterker termen en al dwingender bewoordingen uit te drukken. Zie, God liefhebben, dat is het nog niet, maar God lief te hebben
met geheel uw ziel, met geheel uw verstand, met geheel uw hart, en met al uw krachten, dat eerst drukt, en dan altijd nog in te zwakke bewoording, de rijke heerlijke afspiegeling uit van Gods grondelooze barmhartigheid in het innerlijk wezen van zijn kind. Voor die Schrift is het dan ook niet genoeg te zeggen, dat God tot in ons „hart" schouwt, maar moet er bijgezet, dat Hij, de Hooge en
Heerlijke, onder en achter dat hart om, tot in die verborgen diepten van ons aanzijn inziet, die wegschuilen in onze nieren. Wat Hij aan zonde in dat „hart en in die nieren" bij het licht zijner heiligheid ontdekt, dat snijdt Hij niet slechts af bij
maar
roeit Hij
En wat proeft,
en
„de)i tak''\
uit tot in „de)i wortel'."
naar luid dier Schrift, door dien God die „hart en nieren" de zonde aanvecht tot haar „geen tak of wortel" gelaten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's