Het heil in ons - pagina 242
232 den
dood zullen zoeken en zullen begeeren te sterven, maar niet vermogen ;" en ook de Schrift plaatst dat algemeen verlangen naar zelfvernietiging in den dag van het Maranatha, als bij de komst des Heeren de zonde zal ontdekt worden. „Heuvelen, valt op ons, en bergen, bedekt onsT' is de kreet der vertwijfeling, die bij de komst des Heeren onwillekeurig aan alle ziel zal ontglippen, waarin de stille hoop van het Maranatha niet zullen
opging.
We maar
hebben dus recht beide, niet met elkaar in verband te brengen, beschouwen in dat onderling verband, waarin ze van nature
te
staan.
Er zijn, dit betwisten we niet, tal van menschen, die op aarde nooit tot de diepte des levens doordringen. Bij dezen is noch van zelfmoord noch van een ziel verrukkend Maranatha sprake. Maar er zijn ook anderen, die of door eigen aanleg, of door den drang der tijden, of door bijzonder levenslot, dieper dan de meesten in de verborgen fundamentgangen van den levensbodem der dingen worden- ingeleid,
en
bij
dezen komt
het,
God
zij
lof!
meest
tot het
dan helaas tot zelfmoord. Niet door een grillig spel der temperamenten, maar wijl er in de diepten der dingen geen andere keus is dan tusschen leven in Christus of buiten Hem
Maranatha, zoo
niet,
!
de dood!
Wat dan in beider zielstoestand overeenkomt? De wereld bevredigt hen niet. Ze hebben geen
vrede met hun lot. redmiddel meer bij menschen. Hun idealen gingen onder. Ze willen van zichzelven af. Lange jaren hebben ze met de wereld gedweept^ aan de wereld hun lust gehad, in die wereld genoten. Ze lachte hun toe. Ze stal hun hart. Ze won hun liefde. Zoo was er tevredenheid en verblijden, bij het drijven op de oppervlakte het leven een argeloos spel. Hun lot was wel vaak tegenspoedig, eng de weg en distelen op
Ze
het
zien
pad,
tegenliep,
geen
die schrijnden.
kon
morgen
kon voorbereiding
voor
was zoo
Maar
dat roofde den
keeren. rijker
De
ontplooiing
Moed
niet. Wat heden van het oogenblik De wereld was zoo
moed
teleurstelling zijn.
gevat, mijn ziel
riep in de ure der smart een veerkrachtige stem daar binnen. Ook al wandelt ge in duisternis, er is een star der hope, die u wenkt .... Tot er een breking kwam, een slag, die verplette, een onttakeling waarop men niet gerekend had en het luchtkasteel in puin viel, en in de levensmoede klacht: „Dat de Heere mij wegnam!" de vertwijfeling zich uitsprak aan eigen lot. Dan kwam de beurt aan de idealen. De wereld te eng, het levenslot in droefenis verkeerd, maar toch niet benauwd, want hoog boven die aarde en vrij van dat levenslot tintelde een wereld van idealen, zoo vol, zoo rijk, zoo heerlijk, en daarmee dwepen, daarvoor leven, groot, de wereld
rijk.
!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's