Dat de genade particulier is - pagina 225
:
215
werking onwederstandelijk veroorzaakt. Dat er niets tegen haar te doen is. Dat ze met macht den dood te voorschijn roept. En om dit nu met volle kleur en nadruk aan te duiden, bezigt de apostel het woord heerschen, koninginne zijn {Baaileisiv). De zonde is dus meesteresse, gphiedstfr, honinginnp. Ze heeft overmacht. Haar wil was niet te wederstaan. De mensch was haar onderworpen. Ze wilde den dood brengen en niemand hield haar in dat opzet tegen.
Het
was dus niet zóó, dat zij met den dood drngde, en dat nu, menschen wil, werkend, tusschenbeide trad, óf er wel in slaagde om den dood te doen komen, óf den dood weer terug moest nemen. Neen, ze bracht den dood met heerschappij. Als gebiedster. En niemand heeft haar wil wederstaan. Vandaar dat „allpn gesforvpn naar
's
zijn."
Maar na dit nu helder uiteen te hebben gezet, verklaart de apostel dan voorts, dat het nu met de genade evenzoo staat. Dat de genade evengoed als de zonde een heerschappij bezit, als gebiedster optreedt, en onwederstandelijk haar wil uitvoert. Zoo toch lezen we in vers 21 „Opdat, gelijk de zonde geheerscht heeft tot den dood, alzoo ook de genade zoude JiPerschen tot het eeuwige leven." Stelt men nu, dat de genade, evenzeer als de dood, zich uitstrekt tot alle gphoron menschen, dan komt dit niet uit. Want dan krijgt men, dat de zonde zich uitgestrekt heeft tot alle geboren menschen; zóó, dat ze dan ook allen wezenlijk sterven. En dat ook de srenade zich nu wel evenzoo uitstrekt tot alle geboren menschen, maar zóó, dat ze werkelijk lang niet allen, doch slechts voor pp^t] Mpin depl tot het leven komen. Met andere woorden, dat wel de zonde, maar niet de genade haar doel bereikt. Dat is dus, dat wel de zonde er in slaagde om te Jiperschpn, maar dat dit aan de genade misliiH is Eer integendeel, dat de genade in plaats van over den mensch te Tiperschp»,
van des menschen wil afhankelijk bleef. Wat immers ongerijmd is, overmits de apostel rechtstreeks het tegendeel verzekert, daar hij toch schrijft, dat „alzoo ook de genade heeescht !" En nu zegge niemand, dat deze bewijsvoering uit een enkel woord gezocht is en ter zake weinig afdoet. Want reeds op zich zelf valt er over de Schrift niet te redeneeren met godgeleerden, die den eerbied voor Gods Woord reeds derwijs hebben uitgeschud, dat ze aan gedachteloos of onopzettelijk gebezigde woorden in zulk een redeverband een plaats laten. Maar bovendien ook die uitvlucht zelfs baat hun hier niet het minst. Want wat is het geval? Het woord „heerschen", waarop we wezen, komt in dit hoofdstuk niet maar die beide malen in het slotvers voor, maar is een der hoofdgedachten, waarmee de Heilige Geest hier ter plaatse den apostolischen briefschrijver bezielt. Eeeds in vers 14 heette het: „de dood heeft geheerscht van Adam
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's