Het heil in ons - pagina 83
;
73
nemen,
in stee van de vastigheden van Gods Woord. Hij beleest toch toe te zien dat ge niet wet^r terugzinkt, en daarom o, zoo snel vooruit, altijd voorwaarts te dringen, zoo niet heden en ook morgen niet, dan toch eer der maanden voortspoeden, der heiligheid te
u,
om nu
Gods nabij En wat nog het gevaarlijkst van alles is, hij brengt u dan de gewoonte bij, om èn voor wie anders denken, èn voor wie met u dien weg op willen, telkens als ge ze weer ziet, te roemen over weer grooter zegen, en nóg machtiger genade, en nóg wonderbaarder overvloeiing van liefde, in zoo altijd verrassender en steeds klimmende toeneming, dat de een meenen zou aan den lof van 's Heeren kracht te kort te doen (en ook zelf wel wat in het oog der broederen te dalenj, indien hij soms minder dan die andere roemde; dèrwijs, dat wie eerst wel waarlijk door den Heere werd o^^ttrokkcn, nu allengs zich zelf gaat omwinden, en ongemerkt (dat de duivelen jubelen en Gods engelen weenen) als een „heiliger dan de gemeene geloovigen" hoog zweven gaat boven de schare die verkwijnt. Hiermee nu is het ontstaan der Volraaakbaarheidsleer niet bij de Socinianen en Arminianen, maar bij de Geestdrijvers, in al hun wemelende schakeeringen, aangetoond. !
bij déze ketterij altijd achter het scherm. Maar bij Arminianen en Socinianen sluipt die doolgeest in het onbekeerde hart of in het zich zelf genoegzaam denken; wordt een quaestie van koele berekening en ontaardt, na slepend ziekteverloop, in oprnbaren afcal. Bij hen die lust hebben aan het heilige daarentegen, nestelt dit kwaad zich in het vrome gemoedsleven slaat over in zelfverheffing en ontaardt van meet af, eer men zich desbewust is, in gevaarlijke
Pelagius schuilt
de
:
;
geestdrijverij.
Gevaarlijk in tweeërlei opzicht. Vooreerst, wijl zij de vrome, onvaste, teedere zielen in haar garen lokt en ze door een vroegrijpe ontwikkeling een knak geeft aan haar geestelijken wasdom, dien ze niet licht weer te boven komen.
Maar ook, en zeker niet minder, doordien ze het gevoel van onvoldaanheid met den bestaanden toestand, dat een oogenblik in de Gemeente geprikkeld werd, weer te kwader ure, eer het vrucht kon dragen, afstompt en onaandoenlijk maakt. De Gemeente weet wel dat het niet goed met haar is. Ze ziet het wel in, dat, ook afgescheiden van het meêsleepen der zondige natuur, dat ons om der zonde wil tot onzen dood toe is opgelegd, toch de levenstoon in de Gemeente, de publieke opinie der vroomheid, indien ge wilt, de gansch ordinaire zielstoestand van Gods kinderen, een nauwere en edelere moest zijn. En soms is er dan ook in haar midden als een beroerd worden der doodsbeenderen, zich heerlijk openbarende in dieper schuldbelijden, nauwer bij het Woord leven en afdoender
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's