Heils termen - pagina 279
269 Zoekt mea het in den mensch, dan ligt de toebrenging der volkeren Jezus natuurlijk daarin, dat zij iets doen, dat zij iets op zich nemen, dat zij iets beloven, en iets van het hunne brengen aan den Heere. De Doop in verband met den Drieëenigen God kan op dat standpunt geen andere beteekenis hebben, dan dat de doopeling op zich neemt, den naam van dien God te belijden, dien naam te eeren, dien naam te prediken en door zijn daad groot te maken den „naam van Yader, Zoon en Geest." De Doop komt dan hierop neer, dat men gedoopt wordt tot de belijdenis van dezen naam, en het is de zucht om deze beteekenis te handhaven, die tot de ongerijmde vertaling van „tot" onze nieuwmodisch-Schriftgeleerden heeft verleid. De fout op hun standpunt bestaat slechts daarin, dat ze niet inzagen, hoe bij deze uitlegging de eenige zuiver Hollandsche en verstaanbare vertaling ware geweest: „tot de belijdenis puji den naam'''' en dat wie met ^jot den naavi,'''' genoegen neemt, niet weet wat vertalen is. Zij die deze vertaling bestrijden, doen dit dus, omdat het daarin uitgedrukt godsdienstig standpunt hun door en door onwaar, onchristelijk en onschriftuurlijk dunkt. Er was,, zoo gaf men voor, slechts een onbeduidende nietigheid in het spel. Voor u wellicht, o, wijzen onzer eeuw! maar niet voor de Gemeente van Jezus Christus, die lont rook bij uw zonderling drijven en maar al te spoedig het gevaar speurde, waaraan het wezen van haar geloof werd blootgesteld. Het beginsel van den godsdienst uit den mensch, van den mensch tot God gaande, is het standpunt der heidenwereld, dat door de Schrift, het standpunt van het valsch Israëlitisme, dat door liet Christendom, het standpunt van het onweêrgeboren hart, dat door al Gods kinderen als „ijdele vermoeienis des geestes," als de Tantalusarbeid van den zondaar, afgekeurd en veroordeeld wordt. Of wat meent ge? Is het dan niet de hooge levenspsalm, die ruischt door alle bladen der Schriftuur, dat niet van den mensch tot God, maar omgekeerd van God tot den mensch het heil, het licht, het leven is neergedaald? Ligt niet daarin juist de verkwikking en het zalige van Jezus' verschijning saamgevat als in een enkel brandpunt, dat „het gebod op gebod en regel op regel" en de eindelooze geestvermoeienis van het Farizeïsme, in haar onvruchtbaarheid veroordeeld wordt door Hem, die uit den hemel komt, van boven ons de kracht, van boven 't heil brengt, en niet wachtte tot wij Hem zochten, maar tot ons kwam, al ontving Hem ons geslacht met een kreet van bloeddorst en een roepen van „Neem weg Neem weg ?" En evenzoo, wat spelt de historie der Kerk van Christus anders, dan dat ze in haar beste tijden geen dwaling zoo welbewust, zoo hardnekkig, zoo tot het uiterste toe heeft teruggedrongen, als het pogen van Pelagius en Arminius, die het vrije en souvereine van Gods genade verkorten wilden, om tot
:
!
den weg weer te openen niet van God den mensch tot God!
!
tot zijn schepsel,
maar van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's