Dat de genade particulier is - pagina 53
43 kwaad, maar zelfs een zeer goed ding is. Op de vraag of een zondaar, zonder bijkomende genade, „alzoo verdorveD is, dat we yanschelijh onbekwaam zijn tot eenig goed'\ mag dus een voorstander der algemeene genade, zoolang hij eerlijk is en zijn wil, nooit antwoorden wat onze Catechismus antwoordt: „Ja wij, tenzij we door den Geest van God wedergeboren worden." Immers, wie „ganschelyk onbequaem is tot eenigh goedt", die kan niet, tegelijk en tevens nu weer wel bekwaam zijn tot het zeer groote en zeer aanmerkelijke goed, om het heil van Christus aan te nemen. Evenzoo, wie van nature geneigd is. God en zijn naaste te haten, kan niet krachtens diezelfde natuur, en door de krachten die in die natuur zijn overgebleven, den Zoon van God, die zelf God is, aankleven en aannemen als zijn hoogste goed. En niet minder stellig en duidelijk laat zich onze belijdenis uit. Ze zegt toch van den zondaar: „Zijn geheele natuur is verdorven"; „hij is schuldig geworden des lichamelijken en tijdelijken doods"; „hij is in al zijn wegen goddeloos, verkeerd en verdorven", „heeft verloren al zijne uitnemende gaven die hij van God ontvangen had"; en „heeft niet overgehouden, dan kleine overblijfselen, die genoegzaam" zijn (volstrekt niet om Christus aan te nemen), maar alleen, om „den mensche alle onschuld te benemen"; maar overigens „is al het licht dat in hem was duisternis geworden." Zoodat verworpen dient te worden de meening, alsof er nog iets van een vrijen wil, die kiezen en dus aannemen of verwerpen kon, in den zondaar ware overgebleven. Immers „de mensch is nu niets dan een slaaf der zonde." Niemand mag den moedwil zich aanmatigen, „om zich te beroemen, als zou hij nog iets goeds kunnen doen uit zichzelven, daar toch Christus zegt, dat niemand iets hebben kan, tenzij het hem gegeven zij uit den hemel." Hij kan Christus niet aannemen, want de Heere zelf zegt: „Niemand kan tot mij komen, tenzij de Vader hem trekke." Zijn wil is onmachtig, „want wie zal met zijn willen voorkomen, die daar verstaat, dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God !" Zijn kennis baat niet, „want wie zal hier van zijn wetenschap spreken, ziende dat de natuurlijke mensch niet begrijpt dat des Geestes Gods isr" En de eenig denkbare werking waardoor een zondaar tot Jezus kan komen ontstaat dan eerst, als God het eerst in hem werkt, „want wat de apostel zegt, behoort met recht vast en zeker gehouden te worden, t. w. dat het God is die in ons werkt, beide het willen en het werken naar zijn welbehagen." Immers, in geen menschenkind uit vrouwe geboren kan een wil of een bedenken zijn, dat zich met Christus conformeert, „of Christus {zelf) heeft ze in den metische {vooraf) gewrocht, hetwelk hij ons leert, zeggende: Zonder mij kunt gij niets doen." En schier nog beslister spreekt de Dordsche Synode als ze in Hoofdstuk III, art. 3 schrijft: „Alle menschen worden in zonden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's