Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Dat de genade particulier is - pagina 257

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dat de genade particulier is - pagina 257

3 minuten leestijd

247 een uitvaagsel der menschheid, die apostelen zulk een aanfluiting voor hun omgeving zijn geweest? En indien niet; zoo integendeel deze mannen, die vooruit zeker van hun heil waren en zelf betuigden dat ze het niet verliezen konden, desniettemin schijnende lichten voor hun tijdgenooten zijn geweest, ziet ge dan zelf niet, hoe heel uw aanklacht in het water valt? Of ook, dan wezen ze op Augustinus, In dezer voege. Jaren lang geloofde Augustinus niet aan de verkiezinge Gods, maar wel aan zijn vrijen wil. En al die jaren was Augustinus een gruwlijk zondaar. Totdat God de Heere hem eindelijk aangreep, en zoo aangreep, dat Augustinus de groote tolk van het genadeplan, de machtige prediker der verkiezing is geworden, en sterker dan iemand de waarheid gedreven heeft van de onverliesbaarheid der genade. En toch, van die ure af en sinds hij dat predikte, is de oude zondaar in Augustinus totaal gebonden en aan ketenen gelegd, en scheen heerlijk de glans van Jehova ook in dezen heilige. En zoo voortgaande kwamen ze dan op Calvijn, op onze martelaren, op al onze godzalige godgeleerden uit ouder dagen, die de kerk gesticht en gebouwd hadden op den grondslag van Gods vrij machtig welbehagen en allen de particuliere genade op het allerbeslistst hadden geleerd, en vroegen nu stuk voor stuk en één voor één, of ze dan niet tevens de kerke Gods gesticht hadden door hunnen godzaligen wandel en of de vrucht des Geestes niet van de twijgen hunner

ziel

was geplukt.

Bovendien

men houde

dit toch, vooral helder

m

het oog, dat

God

de Heere mer)sche?i beweegt tot het geloof. Dus niet een soort gehalveerde of verminkte wezens, uit wie eerst het rad of de spil van hun menschelijk wilsvermogen wordt uitgelicht. Neen maar menschen „met een wil er in." Bi] het werk der zaligheid is het God er dus niet om te doen, om een krachtigen wil te fnuiken en te verlammen en nu voorts met dit willoos wezen te sollen, gelijk het kind solt met een bal. Neen, maar integendeel, als God den mensch verzwakt en willoos vindt, onbekwaam tot eenig goed en onvermogend tot eenige daad die verheften kan, dan begint de Heere God juist men dien kranken, ontzenuwden, mergeloos geworden wil in het hart van dien mensch weer te electriseeren en te bezielen en tot een wil te maken. En onderwijl nu aldus in dien verstorven wil de levende wilskracht w^eer opwaakt, bew^erkt God de Heere zijn schepsel nu alzoo door zijnen Heiligen Geest, dat Hij den mensch, wiens die wil is, alzoo neigt en overbuigt dat hij ten slotte met al de energie en bezieling van zijn wil de zonde, de wereld en den duivel den rug toekeert en zich gewonnen geeft aan

den Heere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's

Dat de genade particulier is - pagina 257

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's