De leer der Verbonden - pagina 79
69
geweten
rusten;
doet
en
3^.
dat
men
in dien Joodsch-ingekleeden
minder thuis gevoelende, zijn toevlucht neemt tot Bijbelsche leerboeken en dagboeken voor de huiselijke godsdienstoefening, die immers meer menschelijk, meer in onze taal, meer voor onze Bijbel
zich
ooren geschreven
zijn.
zoo komt het dan, dat de Bijbel in den hoek en Gods Wet van haar voetstuk raakt, en dat men, in naam nog bij de Schrift levende, feitelijk op den stroom zijner eigen gedichtselen drijft, om met eiken riemslag dat men verderop komt, al verder verwijderd te raken van de vastigheden van Gods Woord. Te keeren is dit kwaad natuurlijk niet door wat men er niet zonder behendigheid op uitvond, door namelijk te zeggen: „Eilieve, wat deert mij dat, of die menschen daar aan Horebs voet Joden of niet-
En
Joden maar als menschen heeft God !" hen zei, geldt dus ook voor u en mij a?/es op u toepasselijk zou zijn, wat God aan Israël heeft opgelegd, en dat gij dan elk recht missen zoudt, om uit het vele dat God aan Israël heeft bevolen, het ééne te laten liggen en het andere op te nemen. Let er op, dat ge dan in lijnrechte tegenspraak met heel de Schrift komt, die God Almachtig in een gansch particuliere betrekking tot Israël laat treden, en dat juist in dat par-
Joden waren; immers niet hen toegesproken; wat God Want let wel, dat dan ook
als
tot
ticuliere de bekoring van het innige ligt. En let er vooral op, dat ge dan nog nooit Israëls aammarden van de Wet als een aanvaarden door alle menschen kunt laten voorkomen; reeds om de eenvoudige reden, dat dan Israëls aanvaarding ook reeds zou moeten gegolden hebben voor de Amalekieten en Edomieten. Ook toch menschen niet waar? Op die wijs ontkomt ge aan de zeer ernstige moeilijkheid, die zich hier voordoet, dus nooit. Want op die wijs doet ge altijd van tweeën één: óf ge herleidt al het op Sinaï gebeurde eigenlijk tot niets dan tot de spraak van het geweten; d. w. in goed-Hollandsch zeggen dat ge het niet gelooft maar het loochent; óf wel, ge loochent het niet, maar dan blijft het gebeurde met Israël ook altijd een zoo particulier, alleen dat volk alleen aangaand karakter dragen, dat de overgang
maar niet
is
te
maken van
dat Israël op
tt
zelf.
Waaraan zich dan, in niet minder ernstige beteekenis, nog een tweede, geheel ander bezwaar vastknoopt. De Heilige Schrift leert ons namelijk, dat de genadebedeeling des geloofs volstrekt niet pas met Jezus' optreden aan de Jordaan of, wil men, met den Pinksterdag begonnen is. Om nu niet meer te noemen, ook reeds Abraham was bijna twee duizend jaren vroeger „gerechtvaardigd door het geloof" en dus zalig geworden uit genade. Heel de bedeeling Gods met Israël toont ons dan ook dat het een „genadebedeeling" is, die door de ceremoniën, typen en schaduwen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's