Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Het heil in ons - pagina 206

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het heil in ons - pagina 206

3 minuten leestijd

196 wier midden we leven, waarvan we een deel zijn, waartoe we behooren, wier leven natrilt in de gewaarwording van ons eigen menschelijk bestaan. Het zichtbare in die menschenwereld rekenen we daarbij niet meê. Naar het lichaam behoort ook de mensch nog tot de natuur. Alleen het onzichtbare van het menschelijke leven hebben we daarbi.] op het oog. De aandoeningen en opwellingen van het hart, de wereld der gedachten, de ontzettende factoren van plicht en roeping, geestdrift en hartstocht, haat en liefde, zelfzucht en toewijding, eerbied en bewondering, kortom geheel die onafzienbare phalanx van onzichtbare machten, die de golvende vlakte van het menschenhart in beweging zetten,

doen

opstuiven

vormen van wat

en

voortzweepen en den eigenlijken inhoud rijke volle menschenleven in zijn

we onder het

hoogere beteekenis verstaan. uit het zedelijk leven" noemden onze vaderen het Godsbesef uit die geheimzinnige wereld ontvangt. De natuurlijke Godskennis gaat uit van het Godsbesef, dit Godsbesef ontvangt allereerst voedsel uit de aanraking, waarin we met de natuur komen, maar in de tweede plaats ook uit onze aanraking met het menschelijke leven. Dit laatste is van hooger orde. Deswege werd de kennisse van het goddelijke, die we uit die tweede bron putten,

„De Godskennis

voedsel,

dat

het

de zedelijke Godskennis genaamd. Wat hebben we hieronder te verstaan? „De gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende," zegt de Apostel, of wil men, in de taal onzer dagen overgezet: er is een publieke opinie, die als rechter ook op zedelijk gebied over ons optreedt. Ze zegt Paulus, in het onmiddellijk voorafgaande, „zichzelven een zijn, wet, als die betoonen het werk der wet geschreven in hun hart." 33. Daar wordt aan Israël een Toch niet in den zin van Jer. 31 toekomst voorgespiegeld, zeer verre staande boven den geluksslaat, waarin het volk Gods zich in onderscheiding van de heidenen verheugen mocht, en als kenmerk van dien geluksstaat wordt onder meer aangegeven: dat ze alsdan de wet zouden geschreven hebben op de tafelen van hun hart. „Ik zal mijn wet in hun binnenste geven :

en zal die in hun hart schrijven." Kan het nu bij niemand opkomen aan Paulus de meening toe te dichten, alsof de heidenen reeds bezaten wat aan Israël nog eerst als profetie van een verre toekomst

werd voorgespiegeld, dan spreekt het vanzelf, dat zijn uitspraak: „De heidenen betoonen het werk der wet in hun hart geschreven te hebben," in gansch anderen zin

Welke

is

te verstaan is.

die zin?

Bij alle volkeren vindt men een denkbeeld van recht, van plicht, van onderscheiding tusschen goed en kwaad. Geen natie zoo stomp, geen stam zoo verwilderd, geen horde zoo ontembaar, is nog ontdekt, of die denkbeelden trof men bij hen aan. Die denkbeelden waren

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's

Het heil in ons - pagina 206

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's