Heils termen - pagina 260
250
met
onp^ekende frischheid en manlijken moed uitgeperst; lees Azafs David's zielroerende klaagzangen, waar ze in raadselen verward liggen, bij het zien van der goddeloozen voorspoed. Verdiep ii in de zielsworsteling van den Koninklijken wijze in zijn Spreiikenboek of Predikerlierzang, en bij hen, zoowel als nog bij Maleachi, den laatsten der profeten, beluistert ge dezelfde tonen, uit geloofsmoed en bittere ervaring op zoo roerende wijs gemengd. In Petrus keert diezelfde worsteling weder, maar bij hem in nog angstiger spanning. Voor de geloofshelden des Ouden Yerbonds was het nog slechts de ervaring van eigen leed en de smart hunner geloofsgenooten geweest. Yoor Petrus daarentegen moet hetzelfde probleem opgelost, niet aan hem maar aan zijn Heere. Dat juist is in Petrus' gestalte het schreiend tragische. Eigen ondergang, eigen smart en miskenning, eigen teleurstelling kon hij dragen. Hij was bereid in te gaan in den dood. Immers, bij het zien op eigen kruis bleef voor hem nog de uitweg, dien Job zelfs nog maar ten deele afsneed, de verootmoediging over eigen zonde. Maar hier gold het zijn Heere. Hem in wiens woord of daad zijn oog nooit vlek of rimpel bespeurd had, van wiens lippen nooit bedrog was uitgegaan, en die door het goddelijke, smetteloos heilige van zijn persoonlijkheid dien onmetelijken invloed op het hart zijner jongeren had uitgeoefend, waardoor ze aan den Christus geboeid waren, ook al was het mysterie van zijn persoon nog maar ter helft doorzien. En nu, bij dien Christus kwam weer hetzelfde raadsel op. Wat zeg ik, bij dien geliefde, bij dien heilige, bij zijn Jezus trad datzelfde raadsel in nog ontzettender afmetingen voor hem. Bij Hem zou het niet slechts op teleurstelling, maar op lichamelijk lijden, maar op geeseling, maar op een terechtstelling, maar op een dood aan het schandhout uitloopen. Dat kon niet, dat mocht niet en juist de overspanning der liefde drijft Petrus naar een standpunt uit, waar het valsche beginsel hem tot een sathan maakt voor den Heere. Ook de heidenwereld had godsvrucht en geluk op haar wijs zoeken te verl)inden. Deuteronomium achttien zegt u in welken zin. Ze riep „guichelaars en Avaarzeggers en toovenaars en die op vogelgeschrei acht gaven" in het leven, al te maal personen, die ze met een stralenkrans van het godsdienstig mystieke omringde en als raadslieden aanbeval, die den weg konden aanwijzen tot geluk. Men raadpleegde de guichelaaars, meenende daardoor een godsdienstige daad te volbrengen, en waarom anders, dan om door hun waarzegging zich geluk en vreugd te verzekeren. Maar wat volgt, na die tentoonstelling van de heidon wereld in het bedoelde hoofdstuk uit Mozes' laatste boek ? Immers, het streng gebod aan Israël „ Mair u aangaande, (U Heere heeft u ziilkA niet toe-
en
;
:
yelatrri.''
vervolgen?
Hoe dan? Moest dan Integendeel,
Israël alleen troosteloos zijnen
hoort wat de uitnemende belofte
is,
weg
die aan
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's