Dat de genade particulier is - pagina 44
34 voor hun rekening nemen, waar ge rechtstreeks voor te staan komt, indien ge dit Schriftwoord zeggen laat, wat zij er inleggen. Immers over het verband, over den samenhang, over het redebeleid 9 geen verschil van opinie bestaan. kan bij 2 Petr. 3 Er is te dier plaatse, dit stemt ieder toe, van niets anders sprake dan van het lange uitblijven van 's Heeren wederkomst op de wolken. De gemeente dier dagen had die wederkomst reeds lang verwacht. Naar zij zich de zaak voorstelde, zou Jezus reeds in het tiende, vijftiende, twintigste jaar na zijn hemelvaart aan de zaak een einde :
hebben moeten maken. Dat er nog een eeuw, nog drie, nog achttien eeuwen te komen stonden, vermoedden zij in de verste verte niet. Naar zij de dingen inzagen, was de wederkomst van Jezus en dus ook het einde der wereld, eenvoudig een quaestie van een twee-, drietal jaren, of eigenlijk zelfs van maanden en dagen. En toen nu die verwachting teleur werd gesteld, en het ééne jaar voor, het andere jaar na verliep, zonder dat de hemel openging en Koning Jezus nederdaalde, toen begonnen de onvaste geesten in de gemeente te morren en te vragen: Of dan wat de apostelen zeiden, wel waar was, en of ze niet voor een belofte van Jezus' wederkomst hadden uitgegeven, wat welbezien slechts een inbeelding was van eigen inzicht en dus valsche profetie. Juist dit was de natuurlijke aanleiding voor Petrus, om in dit stuk juist zoo breed en uitvoerig over de profetie uit te weiden, en ons een omstandiger beschouwing over de profetie van Oud en Nieuw Yerbond, en dus ook over het „pseudo profetisme''\ d. i. het valsche profetendom, te geven, dan elders in het Nieuwe Testament voorkomt. In de tweede plaats gevoelde zich de apostel gedrongen, om meer dan eenig ander schrijver des Ouden of Nieuwen Verbonds in bijzonderheden af te dalen, met opzicht tot hetgeen met deze wereld gebeuren zal, als ze eens vergaat. Het moest namelijk, al bleef de wederkomst nog zoo lang uit, geen oogenblik twijfelachtig schijnen, of deze aarde wel wezenlijk eens vergaan zou. Yandaar die aangrijpende, alleen hier zoo breedelijk voorkomende beschrijving van „de elementen die branden zullen en vergaan en brandende zullen versmelten."
Maar nu moest ten derde ook het verkeerde beginsel, waaruit dit morren voortkwam, in de hartader worden aangetast; moest worden aangetoond dat alleen „onbekeerden van harte" alzoo uit vleescheslust en onheilig begeeren spreken konden; en diende op uitsnijding van dezen kanker gedrongen. Vandaar de striemende geeseling in dezen brief van de onreine geesten, die, nu Jezus toefde te komen, uitriepen: „Laat ons het er dan voorshands nog maar van nemen !" en zich weer in de armen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's