Honig uit den rotssteen - pagina 255
!
!
241
Wat was Dat
was
dat iets? het
Lam! Het
heilig
Godslam!
Het Lam dat de zonde
der wereld wegneemt. En toen heeft God hun gevraagd „Wilt gij de goddelooze zijn die door dat Lam volkomen gerechtvaardigd, geheiligd en verlost wordt ?" En toen hebben ze uit de diepte hunner ziel geroepen: „Om uws :
naams
wil,
Heere!"
„Om uws naams van hun geloof. Wat hadden ze nu in dat Lam? En
roepen:
dat
wil,
Heere!" dat was de kreet
Alles.
gingen ze voor God vrij uit; in dat Lam staan ze hadden ze nooit zonde gehad of gedaan, ja als hadden ze 't alles zelf volbracht wat Christus voor hen volbracht heeft." Sinds wanneer, op welk oogenblik, waardoor kregen ze dat heerlijke? Geen oogenblik vroeger, maar ook geen uur later, neen, juist op „Ik ben gansch het eigen oogenblik, dat zij voor het eerst voelden goddeloos Melaatsch van den hoofdschedel tot den zool mijner voeten." Op het roepen: „Heere, ik voel mij gansch goddeloos!" volgde onmiddellijk het woord: „Dus zijt ge gerechtvaardigd!" Zoo is, zoo blijft het Lam Voel u in uzelven gansch goddeloos, weg, verbroken en verbrijzeld, en terstond hebt ge het Lam vol, heerlijk, rijk. Maar ook omgekeerd, voel u wel in veel opzichten, maar toch niet zoo gansch goddeloos in uzelven, en uw Heiland is weg, het Lam is voor u niet meer, het kruis mist voor u zijn goddelijk diepen troost. Welnu, die lieden in wie dat gebeurd is, die de banden voelden en voor den schrik des Heeren hebben gebeefd, en toen het Lam hebben gezien, en toen geloofd hebben, die blijven nu hun leven lang tobben met dat ellendige hart, met die verraderlijke ziel, met dat goddelooze ik van binnen Ze kunnen, ook bij al het heerlijk werk der wederbarende vernieuwing naar het beeld des Zoons in hun binnenste, toch maar geen vlekkelooze deugd of geen eigen heiligheid aan zich vinden.
In
voor
Lam
dat
God
„evenals
:
!
Zelfs
meerder!
in
hun
beste
Altijd weer
werken is het altijd weer: met zonde bevlekt!"
„De schuld nog
En dan komen die andere lieden en zeggen: „Maar dan staat het goed met u, want gij moet u, als ge wezenlijk een kind van God waart, nu onbesmet en onbevlekt voelen!" En dat zeggen stormt hun dan als een onweder door de ziel. Want ze wilden toch, o, zoo zielsgraag Gods kinderen zijn, en zie, naar het zeggen van die menschen zijn ze het niet. En dan loopen ze zoo ongetroost en zoo bang om. „Mijn God, ben ik dan nog voor niet
eeuwig verloren!" Tot ze dan het Woord weer opslaan! Dat Woord, waarin
n
staat
16
van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's