Heils termen - pagina 161
151 Ze ontkwamen hierdoor aan de klip, waarop het methodisme verzeilde, om geheel het aanzijn en leven vóór de bekeering als doelloos en onvruchtbaar te beschouwen, eiken samenhang tusschen ons natuurlijk en geheiligd leven voorbij te zien en dus te moeten aanlanden bij die jammerlijke scheiding tusschen gelooven en weten, tusschen geest en stof, tusschen God en wereld, die den zondaar in een engel wil omzetten, maar nooit uit hem maken kan, wat nog veel meer dan een Engel is, een waarachtig mensch! De beteekenis dezer „voorbereidende genade" is, dat de Drieëenige God niet slechts van eeuwigheid de zijnen voorzien en geordineerd heeft, om eerst in de ure hunner wedergeboorte tot den arbeid aan hun ziel over te gaan, maar dat van de ure hunner natuurlijke ontvangenis en geboorte af, alle leidingen en schikkingen Gods in hun leven, reeds in één daad van bewuste, werkzame genade samenloopen, die alle te saam het bereiden van den akker ten doel hebben, waarin de Vader der geesten het zaad des levens vallen doet, als zijn ure komt. Even sterk echter als we op deze „voorbereidende genade" drukken moeten, hebben we ons te wachten voor haar misbruik. Wilde men beweren, dat deze voorbereidende genade algemeen was, allen ten deel viel, en slechts een aandringen Gods op onzen wil was, om ons in die ure van crisis en rijpheid te brengen, waarop dan onze wil zou hebben te beslissen, of we dit werk Gods ijdel maken, of door onze toestemming bezegelen zouden, dan had men een voorbereidende genade verkregen, die in verre de meeste gevallen niets voorbereiden, de bedoeling onzer Yaderen volstrekt miskennen, de Openbaring der Schrift in het aangezicht weerspreken en geheel den bodem loswoelen zou, waarop het heiligdom der genade rust. Bovendien, men wint er volstrekt niets mee. Want zoekt men er door te ontkomen aan de klemmende gedachte, dat bij ontstentenis der voorbereidende genade dan ook geen bekeering volgen kan, men verschuift dan die moeilijkheid slechts van een grooter naar een kleiner deel der menschheid, maar ontkomt ze evenmin. Ook op dit standpunt toch zal men moeten toegeven, dat de 600 millioen niet-Christenen van die voorbereidende genade in engeren zin zijn uitgesloten, en dat onder de Christenheid, die door den Doop van de heidenwereld afgescheiden is, nog slechts bij een zeer gering deel merkbare sporen van waarlijk voorbereidende genade zijn aan te wijzen. Men heeft dus elke zedelijke beweging des harten, elke werking des gewetens, eiken uitgang der ziele naar iets hoogers en beters, zoo bij den onbekeerde als den nog niet bekeerde, als van het natuurlijk leven der zonde afgescheiden te beschouwen, als iets dat geen vrucht of uitvloeisel is van de geboorte uit vleesch, den mensch dus niet als zijn eigen bezit toebehoort, maar slechts een werking in hem is van den Heilige, ,aan wien hij zich zoekt te onttrekken en wiens genadige inwerking en beteugeling hij door roof voor zich
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's