Heils termen - pagina 235
325
Het
eerste
deel
indrukwekkende
der
gebeurtenis
en daarmee de
Verheerlijking op Thabor wordt ons in dezer voege beschreven: „En Hij werd veranderd van gedaante, en zijn aangezicht blonk gelijkde zon." Hierbij ontstaat vóór alles eigenlijke
vraag: Is met deze woorden een goddelijke heerlijkheid beof wel zulk eene, die nog geheel binnen de perken van de menschelijke natuur valt ? En zoo we dan niet naar eigen gissing, maar naar de analogie der Schrift een antwoord zoeken, dan kan er geen twijfel bestaan, of we blijven op Thabor nog geheel binnen het perk, van wat door den Schepper als natuur gesteld is aan ons menschelijk geslacht. „Jezus werd veranderd," zegt de Evangelist, en de apostel Paulus getuigt immers ook van de geloovigen, dat hun
de
doeld,
„vernederd lichaam veranderd zal worden," en sterker nog spreekt aan het slot van zijn eersten Korintherbrief de verwachting uit, dat de geloovigen, die Jezus' wederkomst beleven, niet zullen sterven, maar in een oogenblik des tijds zullen „veranderd worden." Op het terrein der Schrift staat het dus vast, dat een veranderino-, als waarvan op Thabor sprake is, de grenzen der menschelijke natuur niet overschrijdt, geenszins als een overgang van het menschelijke in het goddelijke te verstaan is, maar slechts een gedaantewisseling aanduidt, waarbij het innerlijk wezen hetzelfde blijft en waartoe de menschelijke natuur reeds in zichzelve alle vereischte gegevens bezit. Dit springt nog te meer in het oog, zoo we letten op de uitwerking, die deze verandering had en die ons met deze woorden beschreven wordt: „En zijn aangezicht blonk gelijk de zon." Ook hiermee toch is van den Christus niet het minste gezegd, wat niet elders in de Schrift ook aan den mensch als zoodanio- wordt toegekend. De gelijkenis van het onkruid en de tarwe verklarende, spreekt Jezus zelf de belofte uit, dat dan „de rechtvaardigen blinken zullen gelijk de zon in het Koninkrijk huns Vaders;" en reeds in de dagen des Ouden Verbonds had Daniël van de leeraars getuigd: „De leeraars nu zullen blinken, als de glans in het uitspansel en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk" (Dan. 13 Zelfs de bijvoeging van het „wit wor3). den der kleederen" is in volkomen harmonie met wat elders attribuut der geloovigen is. Ook zij toch zullen bekleed zijn „met lange witte kleederen" (Openb. 7 wier witheid, eerst bedekt, toen door9), brak, toen ze „gewasschen waren in het bloed des Lams." (Openb hij
_
:
:
7
:
14).
Slechts in één opzicht blijft er verschil.
Voor
de
geloovigen wordt deze verheerlijking eerst in de toegewacht, van den Christus is ze reeds in dit
komende eeuw
aardsche leven
gezien. Toch is ook dit verschil allerminst van want we hoorden reeds, dat de Apostel zulk een uitsluitenden aard, en ommekeer reeds in het terrein dezer wereld plotselinge verandering 15
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's