Dat de genade particulier is - pagina 75
:
.
65
om
de schoonheid van die en die parel in
al
zijn heerlijkheid
te
o;e-
nieten.
En wilde men nu nog tegenwerpen, dat wel de Middelaar iets bijzonders voor elk van zija verlosten heeft, maar dat hij er dit eerst later aldus naar schikt, naar plooit, naar omzet en verandert, dan stuit dit toch immers volslagen af op dit tweeledig bezwaar: 1, dat, gelijk we zagen, uit Jezus niets anders kan worden dan wat in de voorverordineering over hem besloten was; en 3, dat de band tusschen Jezus en zijn verlosten reeds bestond vóór hun toehrenginy Voor wat het laatste aangaat, zij het voldoende aan de schoone woorden van WiTSius in zijn Irenicum te herinneren, waar hij zegt: „Op de vraag: of de uitverkorenen reeds in de mystieke unie met Christus staan eer ze gelooven? antwoord ik: 1, zij zijn met Christus vereenigd in het raadsbesluit; waaruit echter niets anders volgt, dan dat ze te zijner tijd tot die unie zullen komen; 2, door den band van het eeuwige genadeverbond, zoodat ze in Christus besloten waren, toen hij voor hen stierf en opstond 3, in de realiteit, maar met volstrekte lijdelijkheid hunnerzijds, op het oogenblik dat de Heilige Geest in hun hart intrekt en het beginsel des nieuwen levens uitstort in hun hart. Zoo gaat dus de „gemeenschap met Christus" aan het leven van den Christen vooraf, evenals de vereeniging van ziel en lichaam ook in het creatuurlijke voorafgaat aan onze geboorte. Overmits nu het geloof eerst komen kan als het leven er is, zoo volgt hieruit dat de band van de verlosten met Christus zeer bepaaldelijk ook aan de allereerste geloofswerking voorafgaat. En slechts in zooverre men op de bewuste genieting van den band en dus op de wederzijdsche betrekking ziet, mag toegegeven, dat de gemeenschap, de mystieke unie met Jezus, op het geloof zou volgen (c. V en VI). Dit klare duidelijke woord van Witsius, waarmee ieder geloovige het eens moet zijn, brengt ons dus tot deze slotsom 1. De uitkomst toont dat er maar een bepaald getal verlosten ;
komen. 2. Elk dier verlosten moet met Jezus in een bijzondere persoonlijke betrekking treden, die alleen hij zijn persoon hoort. 3. Die bijzondere betrekking van elk verloste eischt en veronderstelt, dat er in de7i persoon van den Middelaar iets bijzonders voor
hem
zij.
Dit bijzondere en persoonlijke in de betrekking tusschen den Middelaar en den verloste, kan niet pas naderhand ontstaan, maar moet in de verordineering en den aanleg van den persoon des Middelaars begrepen zijn geweest. En 5, deze band bestaat reeds én ideëel én reëel van Christus' zijde, eer nog het leven, en uit het leven het geloof, in den verloste ontkiemen kan. Zoo is dus overtuigend bewezen, dat de leer van de algemeene ge4.
IV
5
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's