Het heil in ons - pagina 182
:
172 van
het
geweten
of
de lezing der geschiedenis ons van het bestaan
Gods geeft. Eenmaal op dien weg afgedoold, moet men de waarde der natuurlijke Godskennis wel uiterst laag schatten. Wat toch baten u die vage indrukken, die tot geen zekerheid leiden kunnen ? Wat zoudt ge, eenmaal tot den frisschen stroom der Heilige Schrift genaderd, nog omzien naar de gebroken waterbakken, waaraan de heiden wereld de lessching van haar dorst beproeft? Staat het niet zóó met de natuurGodskennis, dat ze u, eer ge de Schrift vqndt, geen stap verder en, nadat de Schrift uw één en alles werd, overtollig werd en tot niets nut ? Wie blaast het zieltogend nachtlicht niet uit, zoodra het volle daglicht door de open vensters in zijn kamer valt? Ware die voorstelling dan ook juist en ging die vergelijking door, we zouden de eersten zijn, om eiken arbeid door de Gemeente aan de natuurlijke Godskennis ten beste gegeven, verloren te achten en het voetspoor te drukken dier dualistische godgeleerden, die in volstrekten zin met alle natuurlijke Godskennis, als deel der belijdenis, hebben gebroken. Maar dat is het juist, wat we betwisten. De vergelijking van nachtlicht en zonneglans gaat niet op. Wat men tamelijk algemeen onder natuurlijke Godskennis verstaat, vormt slechts een deel van haar inhoud en rukt dat deel nog uit zijn verband. Een soort van philosophie heeft men er van gemaakt, die buiten het leven der vroomheid omging, het hart niet raakte, voor den mensch als mensch geen beteekenis had en zich in doellooze bespiegelingen verliep. Althans onder die verdenking mag ze niet langer blijven. Daartegen dient geprotesteerd. Men behoort weer te weten, dat de natuurlijke Godskennis het uitgangspunt is, waarbij alle paden der godsvrucht beginnen. Haar kern ligt dan ook niet in de bewondering der natuur noch in de bestudeering der geschiedenis, maar in het onderzoek naar den mensch als mensch. De vraag waarvoor ze zich stelt is allereerst deze: Is in het hart des menschen van nature al dan niet eenige kennisse van God ingeplant? Hoe hebt ge den mensch, gelijk hij thans in zonden ontvangen en geboren wordt, zoolang hij zich nog niet bekeerde, te beschouwen als een steen en blok, en dus voor elke aandoening van God en goddelijke dingen zelfs onvatbaar, of wel, is er zelfs in den gevallen mensch van nature zekere openbaring van Gods mogendheid in de diepste kern van zijn wezen? Op die vraag antwoordden de Pelagianen en de Socinianen, deels ook de Roomschen en de Eemonstranten, dat de mensch van nature de kennis van Gods aanzijn niet bezit en meer of min geleek op een stuk wit papier, een tabula rasa, waarop door opvoeding en omgeving beurtelings het goede, beurtelings het kwade geschreven werd, tusschen lijke
bracht,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's