De leer der Verbonden - pagina 45
35 Middelaars dan ook het diepste aller mysteriën. eenmaal onomwonden te hebben uitgesproken, mag wel terdege de hand aan den ploeg geslagen, om dezen nog veel te woest en braak liggenden akker te ontginnen; mits het slechts naar den Woorde Gods geschiede, en dus in den vorm ga van het VerhoncL. En dan beginnen we met de ernstige aandacht van Gods kinderen te vragen voor de hier navolgende, zoo we hopen, genoegzaam heldere en doorzichtige overweging. Een mensch ook maar ééu oogenblik buiten God te denken, is het toppunt der ongerijmdheid. Onverschillig of iemand een godvruchtige of een goddelooze, een kind Gods of een vervloeker van het heilige zonder dat de eeuwige en almachis, hij kan geen oogenblik leven, tige God hem van oogenblik tot oogenblik houdt en staande houdt door het woord zijner kracht. Dat geldt van zijn lichaam. Dat gaat door van zijn bloedsomloop. Dat moet beleden van zijn ademhaling. Dat behoort erkend van zijn spier- en denk- en wilskracht. Noem het schriklijk, maar zelfs toen een Traupmann zijn slachtoffers wreed vermoordde, was het God, die op datzelfde oogenblik die kracht van geest en wil en hand bestendigde. Zonder dat ware de moordenaar zelf eenvoudig dood neergezegen. Om te kunnen moorden moest hij leven, en om te kunnen leven, moest zijn leven gedragen worden door de goedertierenheid Gods. En zelfs als een mensch sterft gaat dat nog door. Ook afgezien van het lichaam en wat daarbij hoort, immers ook ons aanzijn op zichzelf ondenkbaar, zonder dat God is wil dat we er zijn en, overeenkomstig dien wil, ons draagt en staande die
persoon
Maar na
des
dit
houdt.
Gods groote schepping is niet een magazijn van uurwerken, die de magazijnhouder opwindt, denkende: „Zie, nu loopen deze alle, zonder dat ik er iets aan doe, twintig, dertig of meer uren!" Neen, er is „God de Heere geen enkel oogenblik dat een mensch zeggen kan heeft mij een provisie kracht of een provisie leven geschonken, waarop ik nu, buiten Hem om, zooveel dagen of weken teren kan!" Integendeel. God geeft nooit provisie, omdat de mensch er niets aan hebben zou. Want immers om die provisie van leven te kunnen opteren, zou hij toch ergens moeten zijn, en er is nu eenmaal in het gansche heelal nergens ook maar één enkel verborgen plekje, waar de mensch met de provisie van leven henen zou kunnen uitwijken. Hij kan nergens zijn of hij vindt God, die er was eer hij er aankwam De spil zelf waarom het rad onzer geboorte en het rad onzes levens zich wentelt, is de eigen vinger van Godes almogende kracht. Maar gaat dit nu door van ons lichaam, van ons denken, van ons levensaanzijn, hoe zou het dan niet doorgaan van ons gemoedsleven? Dat gemoedsleven nemen we nu in den rijken, kernachtigen zin van wat de Heilige Schrift noemt, uw „inwendigen mensch", en wat in Kom. 7 uitdrukkelijk „gemoed" heet, d. i. de haard, waar het vuur :
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's