De leer der Verbonden - pagina 124
114
Men moet
het zich niet voorstellen, alsof God de Heere eerst een gesloten had op den grondslag van de Tien eerst daarna, toen dit verbond alzoo tot stand was ge-
Werk verbond met Adam en
geboden,
komen, alsnu dit proefgebod gaf, om eens te zien of Adam zijn verbond hield. Dat zou geheel tegen de geschiedenis ingaan, en deels in Genesis 2 en 3 iets indragen, wat er niet in voorkomt, deels den zondeval verkleinen tot een op zich zelf staand geval. oplegging van het proefgebod met de daaraan verbondene conditiën, die Adam aannam, is zelve de sluiting van het Werkverbond en juist daarom is het zoo onbegrijpelijk, hoe men maar aldoor zeo-o-en kan, dat er in het paradijsverhaal niets van staat. Het Verbond der werken bestond juist uit de overbekende stukken: 1. het verbod: „gij zult niet eten van dien boom"; 2. de belofte: „door dat beding te houden, wint ge als loon het eeuwig leven"; 3. de bedreiging: „door dit beding te schenden, haalt ge over u den en 4. de aanvaarding van het beding door Adam, eeuwio'en dood" om alzoo naar het eeuwige leven te grijpen. Dat deze overeenkomst niet een voorbijgaand of tijdelijk iets kon zijn, blijkt uit het „loon des eeuwigen levens." Eeuwig leven is toch het hoogste, altoos stand houdende, waar niets bij kan. Een zaak, waarop God het „eeuwige leven" stelt, is en moet dus wel zijn de altoosdurende, alles afdoende, eeuwig geldende zaak. Zoodat de uitvlucht, om er iets tijdelijks in te zien, door dat loon van het eeuwige leven volstrekt is afgesneden, niet kan opgaan. En even klaar en duidelijk blijkt uit den samenhang, dat deze overeenkomst volstrekt niet alleen met den persoon Adam gesloten was, maar dat men in het paradijs zeer goed had begrepen, dat God de Heere dit verbond in Adam met heel het menschelijk geslacht eio-enlijken
Neen,
de
;
aanging. Vraagt ge, waaruit dit dan valt op te maken, vergelijk dan slechts 16 met Gen. 3 2, 3. Gen. a 16 lezen we uitdrukkelijk, dat de Heere God Immers in Gen. 3 het verbondsverbod niet aan Adam en Eva, maar alleen aa?i Adam oplegde. Er staat toch letterlijk: „En de Heere God gebood den mensch, zeggende: van alle boom dezes hofs zult gij (enkelvoud) maar van den boom der kennisse des goeds en des vrijelijk eten; kwaads, daarvan zult gij (enkelvoud) niet eten, want ten dage als gij (enkelvond) daarvan eet, zult gij (enkelvoud) den dood sterven." Niet gijlieden, maar „gij" in het enkelvoud, tot één persoon, en niet tot twee gezegd. Nu blijve 'het hierbij geheel onbeslist, of Eva destijds reeds bestond. Onze overzetters oordeelden van ja. Wij laten het daarbij. Maar hoe men dat ook opvatte, voor wat we willen aantoonen, maakt :
:
:
het geen verschil.
Bestond
Eva
reeds,
&n sprak God de Heere toch alleen
Adam
in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's