Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Practijk der godzaligheid - pagina 252

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Practijk der godzaligheid - pagina 252

3 minuten leestijd

344

„Om Ook

u te verzoeken, dus lezen we, om te weten wat in uw hart was." die laatste, wel eenigszins raadselachtige uitdrukking, licht Mozes

in het 16de vers aldus voortgaat: verootmoedigen (lees: te doen hongeren) en om u te verzoeken, opdat Hij u in het laatste weldeed. Opdat gij niet in uw hart zoudt zeggen: Mijne kracht en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verkregen maar gij gedenken moogt den Heere uwen God, dat Hij het is, die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat Hij zijn verbond bevestige, dat Hij aan uwe vaderen gezworen heeft, gelijk het te dezen dage is." Hoe nu heeft de Heere dit aan Israël willen leeren? Willen leeren, dat Israël van oogenblik tot oogenblik van alle eigen kracht ontbloot was en alleen door de mogendheid des Heeren bestond? Door ze te doen hongeren en te spijzen met een geheimzinnig voedsel, „opdat Hij u bekend maakte, zegt vers 3, dat de mensch niet alleen van het brood leeft, maar van alles, wat ook, dat uit den zelf toe,

„Om

als hij

u

te

;

mond

des Heeren uitgaat." Er is alzoo in deze gewichtige uitspraak geen zweem te ontdekken van een tegenstelling tusschen de zorg voor het lichaam en de zorg voor de ziel. „Niet alleen bij brood leven, maar bij alle woord dat uit den mond Gods uitgaat," wil volstrekt niet zeggen: „Niet alleen uw lichaam heeft brood, maar ook uw ziel het voedsel van Gods Woord noodig." „Alle woord dat uit den mond Gods uitgaat" beteekent naar Hebreeuwsch taaieigen: „Alle ding, alle zaak, alle kracht, die uit den mond des Heeren uitgaat" ^), en doelt in het verband van Deut. 8 niet op den Bijbel, waarvan geen Israëliet nog gehoord had, wijl die nog niet bestond, maar eenvoudig op het Manna. Israël kreeg geen brood, maar Manna. Het moest leeren, dat het geen brood noodig had om het leven te behouden, maar dat het evengoed leven kon bij een spijze, die, gelijk het Manna, onmiddellijk uit den mond des Heeren uitging. Zoolang Israël nog het brood vóór zich op tafel had, kon het nog zeggen: „Mijne kracht en de sterkte mijner hand heeft mij deze spijs

verworven",

wijl

het

én

meel én

zuurdeeg

zelf

daarvoor bereid en

met eigen hand zijn brood gebakken had. Maar bij het Manna viel die aanleiding tot zelfverheffing weg. Het Manna vond men, vond het in afgepaste maat; vond het gereed en toebereid vond het geheel, gelijk het daar lag, voortgekomen uit den mond, d. i. uit het machtige scheppingswoord, des Heeren; vond het zelf

;

in een vaste maat, voor ieder ongelijk, en naar de uitdrukkelijke bijvoeging van Mozes: gelijk ieder eten mocht.

Paulus noemt het een „geestelijke spijze," ^) Vergelijkt b. v. Luc. 4 |den onreinen geest gebiedt."

:

36

:

„Wat woord

is dit,

als hij

1 Cor,

10:3

zegt:

dat hy met macht en kracht

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's

Practijk der godzaligheid - pagina 252

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's