Practijk der godzaligheid - pagina 12
eisch
van
en dat beginsel!"
dit
maar,
ontstentenis van alle be-
bij
ginsel, uit allerlei willekeurige oorzaak. T)e eene maal is het: „Zoo doet hij, en dat beviel
me
wel,
daarom
„Dit maakte vanmorgen een echt stichtelijken indruk, derhalve zal ik ook in het vervolg zoo doen." Weer een anderen keer heeft men een handboek opgeslagen, en het daar zoo aanbevolen gevonden. „De menschen hebben het zóó gaarne!" zegt een ander weer op zijn beurt. „Dominee, het is hier altijd zoo geweest!" duwt men van ouderlingswege den prediker toe. Daargelaten nu nog die tal- en tallooze gevallen, waarin men zich leiden „dat het zóó ons meest laat door de nog veel lagere beweegredenen in den smaak valt," „dat het ons zóó inviel," of „dat het zóó de minste moeite kost!" Ja zelfs zijn de gevallen lang niet zeldzaam, waarin men het zelfs tot dit allerlaagste in het geven van rekenschap niet bracht, en waarin men kort en goed „zonder na te denken," zonder te vragen „waarom dit wel en waarom dat niet?" zich onbe-
doe ik ook zoo."
„Een ander maal
:
:
wust geheel op den gedaan hebbende, nu
tast
zijn
had laten leiden, om, het eenmaal zoo leven lang in die eens aangenomen sleur
af
voort te gaan.
hiervan aan de leeken en voorgangers een verwijt maken ? Indien wel, dan zij het althans een zeer zacht verwijt. Immers naar de ordinantiën Gods is het volstrekt niet een ieders roeping, verstand te hebben van de wortels waarop de boomen groeien. Voor verreweg de overgroote meerderheid is het al wel, indien ze weten, hoe ze een opgegroeiden boom snoeien, bemesten en besproeien moeten om te zijner tijd de rijpe vrucht te plukken van zijn takken. Zich in te beelden dat het wél een iegelijks roeping is, om tot den wortel der dingen door te dringen, is het grondbeginsel der revolutie, der ongoddelijke, in haar hoovaardij zich opblazende wereld, maar hoort niet thuis en mag niet geduld op het erf van Jezus' Zal
men
gemeente. voor te stellen, dat ieder persoon bestemd was, om tot volle bewustheid van zijn doen en laten te komen, het voor en tegen van alle dingen te wikken en te wegen, en nu als resultaat van eigen onderzoek, dit als waarheid te kiezen en dat als leugen van zich af te stooten, is een illusie die Satan ons in de ziel indroeg.
Het
zich
zoo
men
in stee van meer veel minder dan vroeger gaat begrijpen; dat onrust en gejaagdheid de vroegere harmonie vervangt en alles chaotisch om ons heen komt te liggen. Dat streven gaat tegen den aard van ons wezen in, kant zich aan tegen Gods
Vloek van dit streven
is,
dat
;
bestemmingen over ons menschelijk bestaan, en straft daarom zich zelf met erger dan onvruchtbaarheid, dat is te zeggen met een ontstemdheid der ziel, die in den grond een krankzinnigheid, een razernij is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's