Honig uit den rotssteen - pagina 103
89 en met schande verzeld gaat; een sterven aan nu maar: Zal men den „verloochende" naar dat kruis met geweld moeten sleuren, of zal het heerlijk heroïsme in hem opwaken, dat hij zelf zijn kruis aangrijpe, het op zich neme en het uitdrage naar zijn Golgotha? Dat kruis, waaraan hij sterven moet, slaat letterlijk op heel zijn leven. Op de booze lusten des vleesches, die gekruist moeten worden, gedood en begraven. Op de zucht naar eer en roem, naar vreugde en vrede in de wereld, waarom het hem gezet is zich zelven der wereld te kruisigen en de wereld aan zich. Dat kruis houdt in, dat allengs alles wat in hem leefde in pijn en smaad moet geknakt, gekrenkt en gedood. Ja dat al wat hem begeerlijk was aan eigen hart, aan eigen levenskring en zelfs aan eigen godzaligheid, letterlijk voor hem er onder ga, hem een oorzaak van leed en krenking worde, en telkens in het weer vernietigen van een deel van zijn ik eindige.
sterven dat
met
een
De
kruis.
sïnarte
vraag
is
En wil een kind van God dat nu heeft hij zoo zijn Heer beleden en zichzelven verloochend; en „verloochend zijnde" niet de verzenen tegen het hout van zijn kruis stukgestooten, maar aan dat kruis aan gewild en het op den nek getild; dan zegt Jezus, dan komt dat derde het navolgen Christi in den dood. Dat immers tast nu ieder, het slot: „en volge mij!" kan niets anders zeggen willen dan: „volge mij naar Golgotha in den dood." Het kruis dat we optilden en nu willig torsen moet niet te schouw gedragen; daar moeten we niet meê te pronk en te koop loopen; daar moeten we onze kracht niet aan willen toonen daar moeten we ons zelven niet meê willen behagen. Neen, maar met dat kruis moeten we zonder verwijl naar ons Golgotha, opdat dit kruis ons van de schouders genomen worde, als schandpaal omhoog ga, en ons „ik" er worde aan genageld, tot we, al de smarte en kruisweeën door aan het „volbracht" toekomen. Dat kan nu in martelaarstijden zeggen willen, dat ge in letterlijken zin uw hoofd op het blok moet leggen. Dat kan in minder felle dagen beteekenen, dat men u, om uw belijdenis van Jeziis, uw brood beneemt. Dat kan beduiden, dat men u zedelijk dood verklaart en vermoordt voor de maatschappij. Maar, ook al gaat het niet door zulke stormen en onweders, de zaak als zaak blijft onveranderlijk dezelfde. Een kind van God moet in den dood. Zijn leven moet een gestadig sterven zijn. Telkens weer een stuk van zijn ik af, dat hem als bij levenden lijve wegsterft! Ge weet het, „wie zijn leven zal willen behouden, die moet het ivillen verliezen." Maar zijt ge zoo eens dood, o, mijn broeder, luister dan ook vrij naar wat ge een r.-Milus hoort jubelen: „Ik leef niet meer, en toch leef ik, want ('hrisLus leeft in mij!" ;
:
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's