Heils termen - pagina 158
148
om hem
volmaken (Gen. 2 3c), en zijn zondeval heilig wierd, maar van het heilig minder bestond terrein afging, van de heilige levensfeer zich afsloot en dies onheilig werd in volstrekten zin. Wordt dit in het oog gehouden, dan gewint men het inzicht, hoe de Christelijke belijdenis ook op dit gewichtig punt met richtigen heilige geschapen
te
:
niet hierin, dat hij
en soberen waarheidszin zulk een uitdrukking voor haar bewustvond, die in zich zelve onberispelijk is en den weg tot dieper Wordt hiervan de juistheid inzicht niet afsluit, maar open laat. erkend, dan kan men ook in dit opzicht zijn lof en hulde niet onthouden aan onze Gereformeerde Kerkvaders, die door aan Adam de gave ter heiligmaking te ontzeggen, ons het rechte spoor der verdere ontwikkeling geteekend hebben. Eindelijk, wordt dit toegestemd, dan kan de strijd geen strijd meer zijn, die bij de vraag: wie werkt de heiligmaking? ontstond. een daad van afscheiding, waardoor eerst wij, Is de „heiliging" gelijk we zijn, van de wereld, en daarna het zondige dat in ons van ons wordt afgescheiden, dan springt het in elks oog, dat is, noch van het een noch van het ander bij Adam sprake kon zijn. Hij kon niet worden afgescheiden van het zondig leven, wijl dit leven er nog niet was. En evenzoo. Het zondige in hem kon nog niet van zijn persoonlijkheid worden afgescheiden, wijl de vermenging met het zondige nog in hem ontbrak. Yan deze erkentenis leidt de overgang tot den „Werker der heiligmaking" door de andere spreuk der Vaderen, w^aarop het slot van de heiligmaking is het uitsluitend deel der ons vorig artikel wees B o n d g e n o o t e n. Laat voor een oogenblik de voorstelling van „Bondgenooten," hoe juist en schriftuurlijk ook, varen en vervang die uitdrukking door van de kinderen Gods, de geroepenen ten leven, de in Christus verlosten of de uitverkorenen des Heeren te spreken; de uitdrukking is ons om het even, mits men slechts onvoorwaardelijk toestemme, dat van „heiligmaking," naar luid de Schrift, alleen bij hen sprake kan zijn, die met den Apostel betuigen kunnen: Wij zijn tact zijn
:
den dood overgegaan in het leven. Hiermee ontkennen we niet, dat er ook een
uit
zedelijke vorming door veel min dat ook de voorhet geloof is, buiten leed en strijd bereidende genade schiftend en veredelend werkt, nog eer de kiem des eeuwigen levens in het hart is ontvangen, maar houden niettemin vol dat van „heiligmaking" in schriftuurlijken zin uitsluitend in en na de wedergeboorte mag gewaagd worden, zoolang men vasthoudt aan de stellige verklaring des Apostels, dat „Christus en Hij alleen ons van Gode tot heiligmaking gegeven is." Achten we ons ongerechtigd om aan deze besliste, voor tweeërlei zin onvatbare. Openbaring ook maar het minst te kort te doen, dan kan de belijdenis niet ontweken, dat er geen heiligmaking zijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's