Honig uit den rotssteen - pagina 162
!
!
;
!
liS
Hem vluchten, en Hij de sterke Man, die ons dekt met den arm zijner kracht en den wederpartijder van ons afweert. Een Man, ja, dat was hij toen hij den Duivel voor zich deed ineenkrimpen in de woestijn; toen hij de duizenden beheerschte met zijn woord toen hij de ziekten gebood en dat de krankheden weken tot
:
toen hij de duivelen uitwierp dat ze afdropen; toen hij de Farizeën sidderen deed voor zijn blik toen hij den storm bezwoer de zee voor zich bukken deed sterker nog, toen hij den dood in Lazarus' graf overmande; ja, zelfs in Gethsémané nog, toen alles voor hem deinsde en hij zijn vangeren neerwierp in het stof. Maar kan hij die Man blijven? Kan hij door als Man voor ons door te breken, er u en mij doorhelpen? Kan het door macht ten triomf, door sterkte ter zegepraal gaan, voert de arm zijner mogendheid ons ter overwinning? En daarop nu zegt Gods heilig Woord neen en nogmaals neen, als die man geen worm wordt, kan het „wormpje Jacobs" niet worden uitgeholpen. Inrlien het tarwezaad niet uit den hoogen halm op de aarde wil nedervallen en in die aarde inzinken en sterven, dan raakt het de verlorenen niet, dan blijft het alleen en kan geen vrucht ter eeuwige ;
;
;
:
verlossing dragen
wij zijn geen mannen meer! Al onze kracht is opgeeen potscherf. Een menschenkind, in zonde ontvangen en geboren, ligt feitelijk in het stof, en is den wormen gelijk geworden. Naakt heeft de zonde ons uitgestroopt. Er is niets geheels meer en zelfs onze beste daden zijn nog, zooals Comrie het zoo aan ons volkomen waar heeft uitgedrukt. God ontoerend. De ééne heerlijkheid voor, de andere na, is van ons afgevallen. Een schijn is er nog maar geen wezen meer. "Vermolmde binten zijn we, die doorbreken bij het aanraken. Uitgehoolde wilgen, waar de nachtuil zijn nest in bouwt, en waar Zie
droogd
toch, als
;
;
de winden meê spelen. Job wist het wel toen hij uitriep: „De sterren zijn niet zuiver in zijn oogen. Hoeveel te min de mensch, die een made is en des menscheu kind, die is als een worm!" (25 6). En och, wilden we dat nu maar zijn; maar inzien dat we dat zijn; en als „arme wormkens" voor onzen God in het stof kruipen Maar dit nu juist wil dat vermolmde bint niet! Neen, dat „vermolmde bint" geeft zich nog voor een „gaven balk" uit, en wil nog een „stut" zijn, en waant, dat er wel een huis op zijn draagkraclit :
kan rusten. Zoo droomt de nog een man is\
worm
in
den droom van
zijn hoovaardij,
Schrikkelijke zelfbegoocheling En dan zet dat „stofje aan de weegschaal" den
dat hij
mond nog
tegen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's