De leer der Verbonden - pagina 162
152 van de
een gids, aan wien we ons vastklemmen, zoolang we dolen door maar van wien we afraken, zoodra de plaats onzer
woestenij,
bestemming bereikt is. Al deze en soortgelijke voorstellingen toch zijn kwetsend voor de miskennen het alomvattend werk van de vleesch wording liefde Christi des Woords; en zien het eigenaardig karakter voorbij van het nieuwe leven, dat den goddelooze wordt ingeplant. Neen, die band aan den Middelaar is een onverbrekelijke band, een band in den aard van het nieuwe genadeleven zelf ingevlochten; en zoomin de maan of de planeten licht in zichzelven hebben, maar van oogenblik tot oogenblik slechts zooveel glans uitstralen, als uit den gloed der zon in haar geworpen wordt, zoo ook zullen de recht;
vaardigen, zoo velen ze als de zon in het uitspansel blinken zullen, nooit anders schitteren dan met een glans, die hun toekomt uit Christus onzen Heere. Die band tusschen Christus en uw hart gaat, eens gelegd, nooit weer los; maar blijft nu en eeuwiglijk de kracht van uw kracht; het voertuig van uw zielsgenieting; de geleiddraad waarlangs de tinteling van heiliger leven u toekomt. Dat was onder het Werkverbond niet zoo, maar is eerst onder het Verbond der genade en der verzoening alzoo gewoi^den. Zoolang het Verbond der werken stand hield, stond de mensch als mensch op zich zelf. Zijn leven dat hij in zich droeg, rustte, zoo naar het lichaam als naar de ziel en den geest, in hem als mensch. Wel was het in hem geschapen, en werd het dus ook in hem gedragen door de almogende kracht Gods. Maar die almogende kracht Gods droeg het toch op zulk een wijs, dat het in den mensch zelven zijn wezenlijk bestand en zijn werkelijk steunpunt had. Naar gelang de mensch zich ontwikkelde of achteruit ging, nam dat leven dus toe of af. Het zou, indien de mensch volhard had in de gerechtigheid, allengs meer duurzaamheid en vastheid hebben gekregen. Maar ook omgekeerd, nu de mensch niet volhardde, maar viel, verloor het wat het aan kracht en bestand in zich had, en ging onder in dood en verderf.
Het was een leven, dat met den mensch op en neer ging; dat met den stroom van het tijdelijke wisselde en keerde; resultaat van menschelijke inspanning; geen vrucht van goddelijke inwerking. Een leven, dat gelijk was aan het lijnwaad op het weefgetouw, waaraan eiken dag opnieuw en verder moest geweven, zonder ooit voltooid te raken; dat met iets begon, om telkens iets meerder te worden, en in dit altijd toenemende het ongestadige van zijn wezen uitsprak.
Het hing van werken af. Hield dat werken op, Ging dat werken door, dan bloeide het op. Zooals leven van ons lichaam is, zoo was het toen, in den
dan slonk het
nu met
het.
het
staat der recht-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's