Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 125
college-dictaat van een der studenten
§ want zooveel
gaan,
hoe
Nooit eens
op
er
is
het
slechts
der
terrein
gedeeltelijk
van wasdom
lager graad
aangrijpend
oordeelen
in
éen
als
ik
en wij ook vóór tien
gevoelden
als
nu.
eene gewaarwording, alsof nu
Welnu,
nu
als wij
toestand desalniettemin,
bij
dezen
bij
hooger en
de genade, zoo vóór als na de bekeering, het ons
wezen gevoelen, dan hebben wij recht tot den sensus divinitatis, normaal en actueel wer-
constant
de
volgt
rechtstreeks
is
consciente
palingenesie
herstelden
onze laatste conclusie, dat uit kend,
onze
in
weer dat wezen ons aangreep.
dan
dit,
actueel
de palingenesie wel hersteld, dat wij allen weten,
heeft
dezelfde
jaren
twintig
en
107
gewaarwording constant dezelfde
innerlijke
die
NOTIONES FALSAE.
4.
belijdenis
niet alleen
van het theïsme, maar ook
bepaaldelijk van het monotheïsme, niet alleen de belijdenis van een ik-bezittend,
maar ook van éen zoodanig wezen.
zelfbewust wezen, tatis
niet
is
sublimaat
helderheid
tot
boven
naar
laten
gekomen en komen,
heeft
zijn
of altoos bleek
En de sensus
inhoud
divini-
niet volledig als
de inhoud van
subli-
dit
maat monotheïstisch.
Als
A.
111.
heeft
hij
spreken
wij
alzoo
van
den
sensus
divinitatis
niet
Zeer zeker was
bestaan.
hij
in
normalen zin en
Ook
dan spreken wij van eene abstractie.
actueel ontwikkeld,
in
het paradijs
daar normaal, maar actu
(vr. 6)
volkomen ontwikkeling gekomen, waarom onze Catechismus terecht belijdt: „God heeft den mensch goed geschapen, opdat hij God,
zijnen
Schepper,
was
hij
nog
niet tot
recht
kennen zou."
Ware dus de normale
toestand
niet
gebroken, dan zou de sensus divinitatis door de theologia acquisita tot steeds
gekomen
helderder ontwikkeling
[Men beide
zijn.
verlieze dit gewichtig feit niet uit het oog:
is
getreden,
is
tatis
steeds vergezeld geweest van de theophanie.
niet
alleen
eene
rechtstreeksche werking op
beeld van den kosmos verscheen
daar spreekt
het
waar geene zonde tusschen-
de ontwikkeling van den inhoud van den sensus divini-
vanzelf,
was
In het paradijs toch
Adams
ik,
maar
uit het
God theophanisch aan hem. Waar
dit er
er
geheele
bijkomt
dat zich het monotheïsme geheel vindiceert.
Maar
op die theophanie beroept de paragraaf zich niet, omdat deze niet bedoelt, den historischen paradijstoestand te teekenen. maar te zien wat er in den sensus divinitatis ligt en wat er uit zijne vervalsching is voortgekomen, gelijk wij dat terugvinden bij de culte der verschillende volken.]
Hetgeen nu geen bij
steek,
te
voren gezegd
is
over den sensus divinitatis, houdt natuurlijk
nemen
in
den vorm, waarin ze
de sensus divinitatis niet vernietigd,
maar troebel, onhelder
zoodra wij de cognitio Dei
insita
den zondaar voorkomt.
Door de zonde
is
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's