Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 527
college-dictaat van een der studenten
Hfdst.
Het Bnwijs voor de
II.
zeggen
man
„die
:
den Engel des Heeren
bij
wil een geitenbokje halen
hij
;
hem dus nog van God
Heeren zegt echter spreekt
tot
vers 16:
in
Nu
(vers 11).
Manoach ontdekt
Gideon.
„wat
de Openbaring.
Ó3
de aanspraak van Manoach tot
uit
man?"
„Zijt gij die
:
hetzelfde gebeuren als
een hooger wezen
verschenen" en
mij
is
heilige drieêenheid uit
om
zult gij
dat
zien wij in vers ï
hij
te
te offeren
doen heeft met ;
de Engel des
den Heere offeren ?";
hij
van een ander Persoon, zoolang Manoach nog
als
geen klaar bewustzijn heeft van de verschijning van den Goddelijken Persoon;
daarom
De
naam
engel antwoordt hierop (vers 18): „Mijn
9
in Jes.
5 de uitdrukking
:
naam
(Die
dan
zin
ook de vraag van Manoach naar den naam van dien man.
volgt dan
^iiB
woord
dit
hier
is
in
is
vertaald door „wonderlijk",
het
maar
heeft veel dieper
offert het,
waarop
het
wonder-
in
de vlam
de Engel vaart op
;
Manoach en zijne vrouw vallen ter aarde, terwijl wij ten Manoach zegt „Wij zullen zekerlijk sterven omdat wij God
en
offer,
dat
lezen
slotte
die
Hollandsch uitdrukt, het beteekent „het absolute wonder".)
't
handelen van den Engel des Heeren volgt
van
naam
vh^, dezelfde
van het Goddelijk Wezen.
Daarop neemt Manoach een geitenbokje en lijk
is
:
gezien hebben". Hieruit
hem
de absoluutheid der verschijning
dat
blijkt
gekomen, nadat
is
hij
langzaam
verder
al
is
tot volle klaarheid
voortgedrongen
in het
besef dezer
apparitie.
wat
Ziedaar
ons
in
het
gedeelte
historisch
der
Heilige Schrift over den
„Engel des Heeren" medegedeeld wordt; alleen kunnen wij nog als
gaan melding maken van het 50.
van
in
Kon. 19
/
Sanheribs
:
Ook wordt
over dien „Engel des Heeren"
d^ profetieën,
12
de historie dus, maar
het
niet in
voorbij-
die verschijning nog wordt gemeld 'm \\Qi verslaan Daar komt die verschijning echter voor zonder iets te daaruit geene momenten kunnen afleiden.
in
8;
't
35— 36
eenige plaatsen :
in
dat
leger.
spreken, zoodat wij n
feit,
nl.
\x\
in
retrospicienter gesproken op 63:9; Mal. 3 1 ; Zach. 3 1 en
Jes.
éo.
:
Openbaring.
:
Het verschil tusschen
voorkomen van den Engel des Heeren in de historie en in de Openbaring dat, als Hij voorkomt in de historie, Hij verschijnt en spreekt ; terwijl in de Openbaring niet verschijnt en spreekt, maar over Hem gesproken
dit,
is
Hij
wordt, of eene visionaire verschijning van Jes.
63
:
9,
thans dus niets meer te zeggen overig
Mal. 3
:
1,
Hem
wordt gemeld. Zoo nu
is
het in
:
over welke plaats wij vroeger reeds spraken, en waarover ons
waar
is;
eveneens
in:
wij eene profetie van de toekomst hebben, eene aanduiding
dat Hij verschijnen zal.
Deze
plaats
is
van
te
meer gewicht, omdat
in
de evangeliën er op gewezen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's