Dictaten dogmatiek. Locus de Magistratu, Consummatione Saeculi - pagina 521
college-dictaat van een der studenten
§
De dood
1.
dat de ziel onsterfelijk
maar
in
De
1
Tim. 6
:
Men mag
felijk.
„De
ziel
dat
is,
Heilige Schrift leert in
ons
niet,
geen Evangelie,
is
onsterfelijk", dat wil zeggen, dat
is
De
niet sterven kan.
zij 1
Tim.
1
is.
God
17, dat
:
ziel is
isa^S-a^rcc
God is h fjLcvoc eyj^iv k^xvxcnxv, een nadere expicatie, God is in zichzelf onvernietigbaar. Hij alleen is onster-
dus nooit spreken van „onsterfelijkheid der ziel"
;
dat wordt
nooit toegelaten.
dit terrein
Het verschil tusschen God en mensch geeft Joh. 5
wordt de
Hier
Schrift zegt
19, dat
die tevens exclusief
op
is.
van zulk een geaardheid
zelf
ziel
De Heihge
'
„God, deugd en onsterfelijkheid"
rationalistische philosophie.
niet onsterfelijk.
en
ziel en lichaam.
separatie animae a corpore,
is
45
parousiam.
mortilis ante
Scheiding tusschen
V.
de
De
3.
voor
aangegeven
grond
het
:
26, 27, zie
ook
vs. 25.
leven van den mensch en dan
mensch niet toekomt uit zichzelf, maar uit Christus. van wien Hij dat ontvangen heeft, het leven in Die heeft evenals zichzelf. Tegenwoordig leven de menschen uit Kant, niet uit den Christus, Ook in de gemeente, die van den preekstoel met Kants denkbeelden wordt dat het leven van den
blijkt,
Trxri^p,
c
gevoed.
De
Heilige Schrift zegt
de mensch heeft geen
:
samen met moest ze ook ongeschapen
eene
onmiddelijk
Dit
reeds ligt
Het
eene
geheel op de
lijn
aannemen eener niet
inmiortalis,
praeëxistentie der
pas te bestaan
uit
dan de
neen
;
ziel.
Als
we had-
der Platonische voorstelling. is
de existentie
met dat der immortalitas animae onvereenigbaar
is
Deze kwestie hangt ziel
de gedachten Gods maar eene reëele.
niet in
van de afhankelijkheid
begrip
we
beginnen
praeëxistentie,
was de
die volken, en philosophen, die consequent zijn
tot het
we ontvangen worden, dan den
bij
a^xvxa-'rx.
Vandaar, dat de voorstellingen, die
zijn.
menschelijke natuur opwellen,
doorgegaan, geleid hebben
hnmers,
andere,
d.
het „creatuur zijn"
i.
want, als
;
ik
mijne existen-
heb door een ander wezen, dan houdt deze ook op, wanneer dat wezen
tie
mijn existentie niet meer wil of houdt.
Waar de Y-ria-yLx
is
dus
Schrift
tegenover den
leert,
dat de mensch niet
KTi(Trr,q staat,
in
wien
hij
is
leeft,
„sicuti is
Deus", maar
als
en zich beweegt, dan
reeds daardoor elk denkbeeld van eene inhaerente immortalitas animae uit-
gesloten.
Als wij dan nu toch spreken van „de onsterfelijkheid der wij
dat
daarmede zij
weer
dit: dat
zal vergaan.
kan ophouden 2.
De
menschelijke
ziel
ziel
ziel",
geschapen
zoo bedoelen
heeft, niet wil,
kan dus wel gedood worden,
te bestaan.
De dood dan
uitgesproken
God, die de menschelijke
de
is
:
separatio animae a corpore. Daarin
dichotomie.
Alleen,
wanneer men deze
ligt
in
de
belijdt, is
2q.
plaats
zulk eene
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 804 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 804 Pagina's