Dictaten dogmatiek. Locus de Magistratu, Consummatione Saeculi - pagina 183
college-dictaat van een der studenten
§
Van
5.
het souverein gezag.
Dan
Ditzelfde geldt van heer en knecht.
den ander
God
dat ook
God de Heere
en
wanneer
mensch voor plicht
te
het
om
gezag heeft
doen buigen en dat het „ik" van den mensch verte schikken.
engeren zin wordt dus geboren, waar er sprake
in
engeren
zin
God de
is
van personen,
is
zoo
in
in
merkt men op
is,
Men
mee gerekend wordt.
maar
Wezen
en van de Goddelijke Voorzienigheid
niet
er
gehoord.
menschen
„ik"
doorgedrongen,
Hem
van
als
Terwijl
drang
de
„Heere
bestaat
te spreken.
om Hem
zoover
voor
Hij
als
dit
op aarde gezag uitoefenen.
die
„Heere"
door
en tot de kennisse Gods
is
„Heere"
doen optreden en
te
God „Heer
juist het
der heirscharen genoemd,
d.
w.
z.
de Opperheer van
De naam „Jehova"
is
in
vertaald en dit volstrekt niet ten onrechte,
Heere op zich
dat
waar des
Heere tegenover de engelen met souverein gezag optre-
Heer der Heeren
uitoefent.
als
kent,
nomenclatuur openbaart zich
enger begrip van souvereiniteit. Zoo wordt
dend,
spreekt dan van het Opperste
ontdekt
Ik
In die
Dat
de naam „Heere" echter wordt
;
waar de mensch God
kringen,
in
tegenover het eeuwige
uit.
waar nog wel een geloof aan God
in die kringen,
bestaat,
er niet
dien
naam „God" maar
Niet zoozeer in den
„het Heere, Heere Zijn" spreekt zich de souvereiniteit in engeren zin dit
In
Souverein. de Koning der koningen en wordt Hij
„de Heere" genoemd.
bijzonder
in
het „ik" van den
hun uitingen onder de macht en heerschappij van anderen staan.
die in
't
Souverein
als
onderwerpen en daarnaar
zich te
is
Gezag
d. \v. z.
zich als „Ik" stelt tegenover het „ik" van den mensch,
gezag
zijn
souverein gezag over personen en volkeren,
twee ikken door de verkeerdheid van den mensch
die
God
geraken,
botsing
omdat de een aan
bestaat er gezag,
gebieden kan.
iets
In dien zin oefent
dat,
155
zelf niet
beteekent Jehova
w.
d.
alle
heeren,
de Statenvertaling
al
moet toegegeven
„Ik zal zijn, die Ik zijn
z.
zal" want metterdaad ligt in den naam Jehova het gezag en de souvereiniteit Gods uitgesproken, omdat hij de speciale openbaring van God te kennen geeft ;
aan
diegenen,
relatieve „ik"
Thans
zijn
bij
wie het „Ik" van God zich
van den mensch gesteld
we gekomen
tot
't
1".
Waarom In
orde
van
n
i
t
e
i
t
v a n
antwoord
m
buiten
e n s c h o v e
e negativo.
r
Dat kan
niet ?
er
niet
souvereiniteit over is
i
de eerste plaats, omdat, wanneer men souvereiniteit over iemand zal
uitoefenen,
Het
tegenover het
een geheel andere vraag, nml. of er
Gods souvereiniteit om s o u v e r e mensch bestaan kan? Daarop luidt niet.
als absoluut „Ik"
heeft.
tegelijkertijd
hem
door
een ander een gelijke of nog hoogere
uitgeoefend moet worden.
volgens de grondwet gewoonte, dat iemand, wanneer een
buitenlandschen
vorst
hij
een ridder-
ontvangt, vergunning moet hebben van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 804 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 804 Pagina's