Dictaten dogmatiek. Locus de Providentia, Peccato, Foedere, Christo - pagina 412
college-dictaat van een der studenten
LOCUS DE FOEDERE.
18
xWsD.
r/,c (ryï/oc
'cvSCcrxo-B-c
rkc fx-i^o^dxc tou ^cxPÓAc-y Txg kpyjxc,
rk
Trphc TO'J
txc
-Trpoq
0£oD,
had
als
niet,
den gestreden
'iv
rc^
ci.'TrbyMTCf.i fzoi h
^tx to'jTC ó.vx'AxfiiTt. rty 7rxvs7r}.ix'j
lyrs-jpxvlo'.c.
poorten der
Christelijke wapenrusting volgt.
t7c
Die kroon Ontvangt
Siy.xio(T6yyi<; (rricpxucc.
dat er een strijd gestreden wordt.
kwaad, tegen een vijandige macht, die
belooning voor
als
Die in
strijd
nu gaat tegen
de Schrift met
allerlei
Tegen een vijandige macht, niet als een idee, maar
concreet
bestaande,
reëel
c/.X}.X'7rphg
y.scruoKpxrspXi: tsj (tkÓtoiic to'j xï/moc tsi>tcUj
daarmee de genade verworven, maar
hij
namen wordt genoemd. als
rrrlyxi Tcphc
strijd.
dus,
zien
bepaald
een
Luxe
7 en 8: rov xy'l)VXTCUKX?x:vriy(^yc(Tfixt, r:vSpó,ucvTe.Té/.ïKXTry
:
AscTTOv^
TiT'rp-i]Y.x-
We
-rpic to SCvxaB-xi
(")c5iy,
^uvri^7,TZ o.vti(Tt7,vxi Iv rr, -hjuépx rr, TTOvripx, kxc xttxutx KXTcpyxG-xiuivoc
'i'vx
2 TimotheuS 4
hij
7rp^<? Tol/t;
7rcyr,pixt;
roü
sjk ï(TTivr,iJuvr,7rkhri7rphi; xitj.xKxl(TxpKX^
waarop dan de verdere ontleding van de
(TTr.vxt,
TTio-Tcy
7r7.y:7r?J.xu
In
ï^oi/crixq^
t7c
7rvs,UfJi.xTiKX
r/y
zich
openbarende
in
Satan en
zijn
rijk
;
in
de
hel.
Thans moeten we onderzoeken, of dat nu een vijand is, die alleen maar den mensch kwaad doet, dan wel ook God, dus in dat geval een gemeenschappelijke vijand. In
de
Schrift
ons geteekend
zelf
ais
wordt Satan een vijand Gods genoemd.
in
de
eerste
plaats
is
in
hem
ons de groote
reeds antérieur de vijand Gods.
strijd
maar tusschen het tegenstanders.
Voldaan ook,
dat
is
die
geteekend
rijk
als zijnde niet
Gods en
Uitgangspunt
is:
wordt
hij
Als Satan voor het eerst in het paradijs
ook vijand van den mensch wordt. komt,
Zelfs
vijand, die slechts daarna pas
Gods
En
heel de Schrift door wordt
tusschen het
rijk
der menschen,
het rijk van Satan. Die twee zijn de principieele
„Zou
ik
niet haten,
Heere
!
die
U
haten?"
dus aan de conditie van het verbond, dat er een vijand zij, en vijand een gemeenschappelijke vijand zij, een vijand van twee.
dat die strijd in de Schrift niet voorkomt als enkel beeldspreukig, maar als een wezenlijke energie. Daaraan ontleent dan ook het verbond zijn wezenlijke realiteit. Nu is er ook van Gods zij oorzaak tot verbondssluiting
Verder
tegen
blijkt,
dien
gemeenschappelijken
vijand.
Dit
punt dient echter nog nader
te
worden opgehelderd. Een vader toch, een sterke kerel, gaat met zijn kleinen jongen van anderhalf jaar geen verbond sluiten tegen een roover, want wat zou de vader aan de hulp van dien jongen hebben ? Zoo nu heeft de mensch zeer zeker belang bij het verbond, maar wat hulpe zal God in dien strijd van den mensch ontvangen ?
Om
dit
te
doorzien wijzen
we op
de beteekenis van het woord
moet van den mensch nns, eere, hebben.
Voor ons
is
1133.
God
de beteekenis van dat
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 1028 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 1028 Pagina's