Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 496
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Altera.)
62 en
genoemden
2
thans
;
moeten
het gevoelen van de Confessie
de
Bij
3.
wordt ingenomen, moeten wij ons
toonen dat alleen is.
ook door ons
rekenschap geven van den eigen-
allereerst
de industria daarover gehandeld
is
te
van den pluralis maiestatis.
lijken toestand
Nooit
aan
9 houdbaar en gewettigd
het standpunt der Confessie, dat
van
verdediging
om
overgaan
wij
in art.
moeten ons dus behelpen met
wij
;
Wat
van
de gegevens
die ons ten dienste staan.
afkomstig
van uitgevaardigde wetten en wel van de decreten der Romeinsche
keizers;
is
in
Men
de histituten
er
te
zeggen valt
:
dat
hij
spreekt de keizer van zichzel ven in het meervoud.
bijv.
vermoedt, hoewel niet met zekerheid, dat het meervoud
daarin
is dit
bij
de keizers
oorsprong had, dat men onder de republiek gewoon was aan een
zijn
in de wetgeving, omdat daar het subiect was: „Senatus popuRomanus", en men dus aan dien vorm gewoon was, of ook, dat de Romeinsche keizers den meervoudsvorm gebruikten omdat zij eene pluraliteit
meervoudsvorm
lusque
van ambten bekleedden tribunus
plebis
enz.,
de keizer toch
;
ook gesproken hebben van „nos"
Hebben we
in
de
benoemen tot consul, zich daarom zou
in
geheele
het
;
met een
der Heilige Schrift
terrein
praetor,
dan
hij
officieele staatsstukken.
hier dus naar alle waarschijnlijkheid
over
doen,
te
zich
liet
en vereenigde alle ambten
pluralis maiestatis
die
is
vorm volkomen
onbekend.
waar wetten gegeven worden
Overal
medegedeeld,
God
hetzij
als
in
de Heilige Schrift of staatsstukken
wetgever optreedt, of de koningen van
Babel sprekende worden ingevoerd, vinden
we
steeds het enkelvoud.
de Heilige Schrift den pluralis maiestatis kende, dan gevoelt men dat
Israël
en
Wanneer eer
die,
menschen toekwam, zou toekomen aan God den Heere, dat hij dus allereerst daar zou moeten voorkomen, waar Hij als gebieder optreedt en aan
hij
wetten geeft.
Wat a.
zien wij nu in de
In
Ex. 19
wetgeving
in
is
men nu
Zegt
wet aan Israël gegeven ?
3 begint de nationale wetgeving aan
:
het enkelvoud ja,
:
maar,
;
Israël,
en die geheele
overal „/A"" en niet „Wij".
dat 'geldt niet voor alle wetten, dan antwoorden
maar dan zou het toch wel moeten gelden voor de wetgeving op Horeb, 14 waar de heerlijkste Majesteit Gods verscheen. Ja, sterker nog, in Ex. 3 zien wij, dat, waar aan Mozes in het braambosch de Openbaring van het
wij
:
:
Wezen Gods wordt gegeven, zijn die
Let
niet heet
het
:
„Wij zullen
zijn",
maar „Ik
zal
Ik zijn zal".
men
koninkrijk
op de Bergrede waar de Heere Jezus de wet voor Zijn op de verordeningen die de Apostelen, met gezag bekleed,
voorts geeft,
uitvaardigden
voor
de
gemeenten
;
op hetgeen Mozes
in
des Heeren
Naam
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's